Kouseband, Pruthuisstuk en Ruigebol

oude veldnamen in het Westzijderveld / 2


In het begin van de jaren zeventig was de heer Hartog als directeur gemeentewerken van de (voormalige) gemeente Koog aan de Zaan nauw betrokken bij de uitvoering van het Plan Westzijderveld, een plan voor een woonwijk in de Polder Westzaan. De nieuwbouwwijk ging officieel Westerkoog heten, onofficieel Havenzathe, naar de ontwikkelingsmaatschappij die het project uitvoerde.

Hartog was ook verantwoordelijk voor de naamgeving van de straten van de wijk. Het leek hem een goed idee om ze te noemen naar akkers die bij de aanleg onder het zand verdwenen waren. Hij consulteerde diverse boeren en buitenlui, noteerde de veldnamen die zij verstrekten op een veldkaart en liet die kaart nog eens door zijn informanten controleren. Vervolgens moest er een selectie worden gemaakt. Veel veldnamen waren niet geschikt om als straatnaam te worden gebruikt, bijvoorbeeld omdat ze een ongunstige klank hadden. In de woorden van de heer Hartog: wie wil er wonen aan Het Varkensland, De Stinkerd, Het Pruthuisstuk, ’t Sloppie of aan de Grote of de Kleine Vetlap?

Ook Kouseband viel af, maar Ruigebol kwam wel door de selectie en kreeg een tweede leven als hodoniem, straatnaam. Samen met Pruthuisstuk zal ik deze veldnamen hier bespreken.


Kouseband
In De Zaansche volkstaal heeft het lemma Kouseband betrekking op een Assendelftse veldnaam: dat cousebantgen (1600), de kousebanden (1635). Volgens Gerrit Jacob Boekenoogen was deze naam ontleend aan de Haarlemse familie Couseband, die in de 16e eeuw bemoeienissen had met Assendelft.

De Kouseband

Hartog noemt Kouseband “een uitstekende naam voor een smal stukje land, maar moeilijk bruikbaar als straatnaam.” Hij verbindt de naam dus niet met een familienaam, maar met de vorm (smal) en wellicht ook de grootte (klein) van het perceel: smal als een kousenband. Inderdaad is – is, het perceel bestaat nog – de Kouseband uitgesproken lintvormig: het is het perceeltje in het midden van de foto, dat doorloopt tot boven de knik in het Westerwindpad.

Ook in het Guisveld ligt een perceel met de naam Kouse(n)band. In beide gevallen ligt een relatie met de familie Couseband niet voor de hand. Misschien moeten we ook wel een vraagteken zetten bij Boekenoogens verklaring van de Assendelftse veldnaam.

Pruthuisstuk
Het Pruthuisstuk was een perceel waar ooit een pruthuis stond. Op de veldnamenkaart van 1972 is de werf duidelijk aangegeven: ‘PRUTHUIS’ staat er. Het perceel ertegenover, aan de overkant van de Watering, was eveneens naar het pruthuis genoemd; het heette simpelweg Het Pruthuis.

Tegenwoordig is prut in de Zaanstreek een gangbaar synoniem van modder, maar in pruthuis, prutkokerij betekent prut ‘dikke traan die nog moet worden uitgekookt’ (Van Dale). Het was het afvalproduct van traankokerijen (waar walvisspek werd uitgekookt tot walvistraan, te gebruiken als spijsolie en lampenolie) of het bezinksel (het oliedik) uit de oliekelders van de oliemolens. Dit prut werd in de pruthuizen verwerkt tot lijm of (inferieure) olie, die werd gebruikt als wagensmeer of, zo stel ik me voor, diende als veevoer (denk aan lijnkoeken, veekoeken) en als grondstof voor zeep.

Pruthuizen waren net als traankokerijen milieuvervuilend en brandgevaarlijk.¹ De keuren die door de banne Westzanen² werden uitgevaardigd, moesten het brandgevaar en de overlast beperken. Aanvankelijk waren het met name de “traenkokerijen” die werden genoemd vanwege hun “groot peryckel [risico, gevaar] van brant door desselfs roock ende stanck de ingesetenen seer werden gediscommodeert [discommodatie ‘hinder, overlast’].” Op 17 januari 1727 werd de keur uitgebreid met “prutkokerijen, kaersemakerijen, leerloijeren en wat verder van die nature zij” en in 1731 werden dergelijke overlastgevende bedrijven verbannen tot bij de Noorder Watering, extra ver van de bebouwing.

In een keur van de banne Westzanen d.d. 19 januari 1745, die de waterkwaliteit van de Polder Westzaan moest borgen, is sprake van “vuyligheeden koomende van traenkokeryen, prutkokeryen en verdere stinkeryen”. Schoon polderwater was van groot belang voor de visserij en daarmee voor de banne zelf, want bij een goede visstand kon men hoge vispachten vragen.

Ruigebol
In Veldnamen in Nederland wordt een Zaanse veldnaam Ruigbol (1644) verklaard als ‘[land waarop veel] heermoes [groeit]’; heermoes (Equisetum arvense) is een hardnekkig akkeronkruid. Boekenoogen trekt deze verklaring echter in twijfel, omdat ruigbol als naam voor heermoes in Noord-Holland onbekend zou zijn.³ De Zaanse naam voor heermoes (en voor lidrus (E. palustre)) was in zijn tijd unger (eertijds onger, onjer, schrijft hij), zoals overgeleverd in de veldnamen Dat oyngersteck (1600, Assendelft) en Die kleyne ongersijd (1644, Polder Westzaan).

In het WNT is ruigbol opgenomen in de betekenis ‘persoon met een ruigen bol, een ruig hoofd, een ruigen haardos’ (vgl. krullenbol). Misschien is de veldnaam Ruig(e)bol op te vatten als het metaforisch gebruik van dit ruigbol, ter aanduiding van een perceel met een ruige begroeiing. In dat geval is de veldnaam Ruigebol vergelijkbaar met de veldnaam Vetlap, want ook vetlap is een persoonsaanduidend woord; het betekent o.a. ‘vuil en smerig mens’ (Van Dale), synoniem smeerlap. Mogelijk waren de Grote Vetlap en de Kleine Vetlap modderige en/of verruigde akkers.

Ten slotte zou ik nog een (speculatieve) verklaring willen toevoegen. Opvallend is namelijk dat De Zaansche volkstaal ook de veldnamen Kui(g)bol (1629, Polder Westzaan) en Kui(en)bol (Assendelft) geeft. ¿Zou het kunnen dat bol een aanduiding was voor een bepaald type land, afgeleid van het adjectief bol ‘(van grond) week’? Ruigebol zou dan duiden op een stuk land met een slappe bodem en een ruige vegetatie.


Dirk Glandorf




1 Dat er inderdaad weleens een pruthuis in vlammen opging, blijkt uit het journaal van de Koger ondernemer Claas Caeskoper: “Junij 5 [1695] verbrande een Pruthuys van Maerte Sevenhuyse.”
2 De banne Westzanen omvatte de dorpen Westzaan, Westzaandam, Koog, Zaandijk, Wormerveer en West-Knollendam, incl. het landelijk gebied. Een banne had een eigen college van schout en schepenen dat verantwoordelijk was voor het bestuur en de rechtspraak.
3 De Zaansche volkstaal vermeldt wel breedbol ‘bepaalde distel’. Dit -bol zit o.a. ook in witbol (gestreepte witbol (Holcus lanatus), een gras) en kaardenbol, de officiële Nederlandse naam van Dipsacus spec., een plant met een distelachtig voorkomen, maar behorend tot de kamperfoeliefamilie.


Referenties
G.J. Boekenoogen, De Zaansche volkstaal, 1897, lemma’s bolII, Bollerd, breedbol, Kouseband, Kuigbol, Kuibol, oliedik, unjer en witbol.
Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), lemma’s ruig1 en ruigebol (gepubliceerd in 1922).
M. Schönfeld, Veldnamen in Nederland, 2e druk 1950 (ongewijzigde herdruk 1980), p. 66.
Gemeentewerken Koog aan de Zaan, ‘Benaming gronden in het Westzijderveld te Koog a/d Zaan’ [veldnamenkaart in de Beeldbank v.h. Gemeentearchief Zaanstad], 1972.
C. Mol, Uit de geschiedenis van Wormer, 1966, herdruk 1980, p. 114-115.
J. Hartog, ‘Straatnaamgeving Plan Westzijderveld (Havenzathe)’, personeelsblad Stadsontwikkeling en Openbare Werken Zaanstad, jg. 5, nr. 2.
Margaretha A. Verkade, Den derden Dach; ontstaan en ontwikkeling van de Polder Westzaan, 1982, p. 107.



» De Bankies, Henstuk, Kerkhof, De Stinkerd en De IJzeren Ven.
» Baanakker, Mosakker, Slijpakker en Turfakker.
» Breedje, Klampakker, Smidslandje, Tweebeen en De driehond.
» De veldnamen Lombok, ’t Sloppie en Weeshuisland.
» De straatnaam Legerland.
» index


Geplaatst op 7 februari 2025, het laatst gewijzigd op 26 maart 2025.

© de 5e Verdieping 2025