toponymische sporen
Biggestuk en Varkensland
oude veldnamen in het Westzijderveld / 6
Nooit heb ik in de Polder Westzaan een weiland met varkens gezien. Maar ooit zijn ze er geweest. De kaart van het Koger deel van het Westzijderveld waarop 180 à 185 veldnamen zijn opgetekend, bevat namelijk behalve een Bokkeland, een Bullestuk en een Paardenkamp ook een Biggestuk en een Varkensland.¹ Het Biggestuk lag aan en ten noorden van de Weelsloot, het Varkensland aan het spoor, iets ten noorden van de Mallegatsloot; het was een klein perceeltje.
Varkens, wroetend en zoelend in de prut. Ergens in de geschiedenis moeten ze uit de polder zijn verdwenen, maar omstreeks 1885 waren ze er nog. Dat kunnen we opmaken uit het boek Jeugdprentjes, waarin de kunstschilder Félicien Bobeldijk (1876-1967) zijn kindertijd in Koog aan de Zaan beschrijft, geïllustreerd met houtskoolschetsen van o.a. het Westzijderveld, de Watering en een molengezicht met De Paap, De Munnik en De Wezel.²
Het hoofdstuk De groote vacantie geeft een beeld van de schier eindeloze zomervakantie – “zeventien lange, lange dagen!” – waarin hij samen met zijn schoolvriendjes rondstruinde in het Westzijderveld, het land achter de spoordijk waar nu de wijk Westerkoog ligt.
Nog mooier was het wanneer de groote wolken door het luchtruim dreven, de één over de ander schuivend met sneeuw- en melkwitte koppen, geschakeerde grijzen, overmeesterend het blauw; hoog-boven steeds dieper, naar den einder al teerder versmeltend, overgaand in den licht-lila-blauw-grijzen horizont – een gekartelde lange rand van een dorp, boomen, huizen en daarboven uitstekend molens en een kruiskerk, waarvan het leiën dak in de zon schitterde. Dat alles weerkaatst in de elkaar kruisende en tot den horizont loopende slooten en vaarten, verdeelend de lage weilanden vol grazende koeien, pinken en kalveren, een enkele geit op een afgeschoten stuk land voor varkens, en zoover het oog kon reiken molens, malende molens.
“een afgeschoten stuk land voor varkens”²
In Geschiedenis van de Zaanstreek staat dat er al in de 17e eeuw veel varkens werden vetgemest met afval van de stijfselmakerijen.³ Het rendeerde kennelijk goed, want sommige stijfselmakers gingen zelf varkens mesten. Ook waren er kaasboeren die varkens hielden, die ze voerden met wei, een restproduct van de kaasmakerij. De mestvarkens zullen hun weg hebben gevonden naar Amsterdam, de grote stad en afzetmarkt aan de overkant van Het IJ.
Hier Bobeldijks lyrische impressie van een zomerse dag in het Westzijderveld:
Op sommige dagen was het al vroeg in den ochtend warm, loom, drukkend. Je zag het aan den naast bijzijnden oliemolen, die langzaam en traag; of de wieken niet om te krijgen waren, maalde, je hoorde het aan de moeizaam opgetilde, zwaar neervallende stampers, door de naburige oliemolens – want voor de pelmolens was er in het geheel geen wind– op dezelfde lijzige wijze – herhaald. Dan werd het een dag die tot algeheele windstilte leidde – „ging de wind liggen” – waardoor molen na molen stil bleef staan, eindelijk „inhaalde”. Zelfs de schapen, behoorende bij den molen, anders onverstoord en rap het gras rondom afgrazend, zochten den schaduwkant, gingen liggen herkauwen, zooals reeds eerder de koeien en kalveren in het open veld. Alleen op eenige late hooivelden, baanden en maaiden de „hannekemaaiers” wijdbeenend met breeden zwaai het hooge pluimige gras; wetten met helder klinkende klank de zeis, of scherpten ze kort-tikkend op het haarspit. In andere velden eveneens nog hooiers het halfgedroogde gras keerend of het hooi bijeen harkend en aan oppers zettend, of in groote plukken het aan de hooivork meesleepend, ladend in de plat-geboômde vaartuigen.
Volgens dr. Verkade was de hooibouw in de Polder Westzaan heel bescheiden: “Dankzij de molenindustrie en het daardoor ter plaatse goedkoop verkrijgbaar zijn van veekoeken en pelmeel als wintervoeding, was deze [de hooibouw] hoe dan ook nooit van enige betekenis geweest”. Maar enige hooibouw was er natuurlijk wel, anders was er geen emplooi geweest voor de hannekemaaiers, de Duitse seizoenarbeiders uit met name Westfalen die tegen de hooitijd naar de Hollandse polders trokken, meeliftend met een hessenkar stel ik me voor, of gewoon te voet, met hun zeis over de schouder en een strekel en haarspit in hun ransel.
Dirk Glandorf
1 De vijf weidenamen hebben als 2e lid: -kamp, -land (2x) of -stuk (2x), níét -akker of -ven.
2 Zon afgeschoten stuk land heette een schot (Schönfeld, p. 129).
3 De grondstof voor de stijfselindustrie was tarwe. Het werd in speciale meelmolens gemalen.Referenties
Félicien Bobeldijk, Jeugdprentjes; een jeugd aan de Zaan, 1934.
M. Schönfeld, Veldnamen in Nederland, 2e druk 1950 (ongewijzigde herdruk 1980).
Gemeentewerken Koog aan de Zaan, Benaming gronden in het Westzijderveld te Koog a/d Zaan [veldnamenkaart in de Beeldbank v.h. Gemeentearchief Zaanstad], 1972.
Margaretha A. Verkade, Den derden Dach; ontstaan en ontwikkeling van de Polder Westzaan, 1982, p. 149.
Kees van der Wiel, De boer als assepoester van de Zaanse geschiedenis, in Geschiedenis van de Zaanstreek I, 2012, p. 218-237, m.n. p. 227-228.
» De Bankies, Henstuk, Kerkhof, De Stinkerd en De IJzeren Ven.
» Baanakker, Mosakker, Slijpakker en Turfakker.
» Breedje, Klampakker, Smidslandje, Tweebeen en De Driehond.
» Kousenband, Pruthuisstuk en Ruigebol.
» Lombok, t Sloppie en Weeshuisland.
» Legerland en Vijverzoom.
» index
Geplaatst op 19 maart 2025, gewijzigd op 24 maart 2025.
© de 5e Verdieping 2025