Molen De Zandkraai en de roek



Speelse namen
Vaak kreeg een molen niet zomaar zijn naam:
• De Pelikaan was een pelmolen.
• De Blauwe Arend werd gebouwd door Claes Dircksz. Blaeuw; zijn vrouw heette Trijntje Arends.
• De Poelsnip stond aan De Poel, De Gouwsnip aan de Gouw.
• Papiermolen De Zwarte Bonsem was oorspronkelijk een volmolen, waarmee wol werd vervilt. Bij het volproces werd oude urine gebruikt. Een volmolen stonk daardoor als een bonsem, een bunzing.

De Zandkraai
Ook achter molen De Zandkraai zit een verhaaltje.
Op 9 september 1699 ontving Gerrit Jacobsz. van Sante een windbrief¹ voor een pelmolen, een molen die gerst pelde tot gort. De molen stond bij Zaandam, in het Westzijderveld. Oorspronkelijk heette hij De Hoop, maar in 1734 werd hij geregistreerd als De Santhoop, wellicht om hem te onderscheiden van gelijknamige molens, want ‘De Hoop’ was een populaire molennaam. Die nieuwe naam zal een toespeling zijn geweest op de familienaam Van Sante.
In 1853 kreeg de molen een nieuwe eigenaar en weer een nieuwe naam: De Zandkraai. Met behoud dus van het naamdeel Zand-, maar nu samengesteld met -kraai. Ook bij Heemskerk stond een molen die De Zandkraai heette, een korenmolen.

Zaadkraai
Zandkraai is een oude naam voor de roek. In het boek De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis wordt verondersteld dat zandkraai een verbastering is van zaadkraai, de Nederlandse pendant van Saatkrähe, de officiële Duitse naam van Corvus frugilegus. Het is een toepasselijke naam voor een kraaiachtige vogel die weliswaar een uitgebreid menu heeft (emelten, engerlingen en andere larven, wormen, eikels en walnoten, afval, aas), maar toch vooral bekendstaat als zaadeter. Het is vast geen toeval dat de Zaandammer en de Heemskerkse Zandkraai een pel- respectievelijk een korenmolen was: de molens zullen zijn genoemd naar de zandkraai in zijn hoedanigheid van zaadkraai. Zoals de roek graankorrels eet, ‘aten’ ook de twee Zandkraaien graan, dat ze in hun molenlijf vermaalden tot grutten of meel.

Zaanse roeken
De Zandkraai is een verrassende naam voor een Zaanse molen, want de roek wordt in de Zaanstreek slechts zelden gezien, laat staan dat hij er broedt. Maar ooit is dat wel het geval geweest. Martien Roos heeft er in 1981 een artikel aan gewijd. Aanleiding was een mededeling van vogelfotograaf en publicist Jan P. Strijbos in Het Vogeljaar, over een voormalige roekenkolonie op de begraafplaats van Zaandam. Martien schreef hem een brief met het verzoek om nadere informatie, en Strijbos antwoordde: “Het zal in de jaren 1915 en 1916 en misschien nog wel later geweest zijn dat ik die kolonie passeerde, als ik te voet van Amsterdam naar Zaandam tippelde. (…) In mijn herinnering was het een flinke kolonie, maar over de sterkte daarvan heb ik geen notities bewaard (…).”

Amsterdamse roeken
Eigenlijk was een roekenkolonie in de Zaanstreek helemaal niet zo vreemd als je bedenkt dat er indertijd ook kolonies waren in Amsterdam. Zelfs in de grachtengordel, maar vooral in Amsterdam-Oost en de Watergraafsmeer en dan met name op de Oude Oosterbegraafplaats (het huidige Oosterpark) en de buitenplaats Frankendael, met in 1924 respectievelijk 200 en 60 nesten.
Na de Tweede Wereldoorlog ging het bergafwaarts met de Amsterdamse populatie. In 1948 telde het Vondelpark nog 66 nesten, maar in 1966 waren er nog slechts enkele over en in 1967 was de stad ‘roekloos’ geworden.

Landelijke afname
In de jaren vijftig en zestig ging het in héél Nederland slecht met de roek. Oorzaken waren afschot, verstoring en vergiftiging door het eten van chemisch ontsmet zaaizaad. Rond 1970 waren er minder dan 11.000 broedparen over. Nadat de roek in 1977 wettelijk beschermd was verklaard kwam de ommekeer, en rond het jaar 2000 waren er al zo’n 64.000 paar. Sindsdien is de populatie weer met ruim 20 % geslonken, waarschijnlijk vooral door verstoring van kolonies en misschien ook doordat er tegenwoordig minder bodemdiertjes beschikbaar zijn. Omstreeks 2014 telde Nederland ± 50.000 paar, ongeveer net zoveel als rond 1940. Meer dan de helft broedt in Gelderland, Overijssel en Drenthe.

Noord-Holland
In de jaren tachtig was de kolonie in Muiden de enige roekenkolonie van Noord-Holland. De roeken hadden hun toevlucht gezocht in een moerasbos op het terrein van de Muider kruitfabriek, nadat ze door een paartje haviken uit het Naardermeer waren verdreven. Mede vanuit deze kolonie² is vanaf 1989 Amsterdam geherkoloniseerd, te beginnen met een park in de Bijlmer.
Een andere provinciale mijlpaal was het eerste naoorlogse broedgeval in Noord-Holland Noord in 1991. Toen vestigden zich roeken op de begraafplaats van Medemblik, aangetrokken door een nabijgelegen vuilnisbelt in de Wieringermeer. Later werd ook Amsterdam-Noord een belangrijke vestigingsplaats. De grootste kolonie van Noord – en lange tijd de grootste kolonie van heel Amsterdam (max. ± 26 nesten, in 2011) – huisde in Molenwijk, op luttele kilometers afstand van de plek waar een eeuw eerder de Zaanse zandkraaien nestelden.

Hoop en Liefde
Toen Jan P. Strijbos omstreeks 1916, lopend over de Zuiddijk, de roekennesten zag, was De Zandkraai al gevlogen. De molen was in 1901 afgebroken en weer opgebouwd in Ouderkerk aan den IJssel, in de Zuid-Hollandse Biblebelt, nu ingericht als korenmolen en herdoopt in Hoop en Liefde: zijn oorspronkelijke naam in een Bijbels jasje.³


Dirk Glandorf




1 Een windbrief was een bouw- en exploitatievergunning voor een molen. De windbrief werd soms pas uitgereikt als de molen allang in bedrijf was.
2 Andere roeken vestigden zich vanuit de omgeving van Abcoude (provincie Utrecht) in Amsterdam.
3 De molen werd in 1955 buiten bedrijf gesteld en later stukje bij beetje gesloopt.


Referenties
Jan P. Strijbos, ‘Roeken gevraagd’, Het Vogeljaar 21(3):369-371, 1973.
Martien Roos, ‘De roek (Corvus frugilegus) een voormalige Zaanse broedvogel’, De Grutter 5(5):92-93, 1981.
Wim Ruitenbeek, Kees (C.) J.G. Scharringa & Piet J. Zomerdijk (red.), Broedvogels van Noord-Holland, 1990.
Martin Melchers & Remco Daalder (red.), Sijsjes en Drijfsijsjes, 1996.
Henk Blok & Herman ter Stege, De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e ed. 2008.
Kees (C.J.G.) Scharringa, Wim Ruitenbeek & Piet J. Zomerdijk (red.), Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009, 2010.
Sovon Vogelonderzoek Nederland, Vogelatlas van Nederland, 2018, 4e druk 2019.
Frank van Groen e.a., Vogelatlas Amsterdam, 2022.
Fulco Rol, teksten over de molens De Zandhoop, De Blauwe Arend, De Gouwsnip, De Poelsnip en De Pelikaan op de website Molendatabase.nl.


(Een versie van dit artikel verscheen in november 2023 in De Kieft, het ledenblad v.d. Vogelbeschermingswacht Zaanstreek.)



» Molennaam De Grauwe Kieft.
» Molennaam De Huismus.
» Molennaam De Kokmeeuw.
» Molennaam De Kwikstaart.
» Molennaam De Nachtegaal.
» Molennaam De Poelsnip.
» index

» Etymologiebank: het lemma roek.


Geplaatst op 11 december 2023, gewijzigd op 19 december 2023.

© de 5e Verdieping 2023