De loeiende en de blaffende butoor

butor bourguignon


De oudste, overgeleverde Nederlandse naam voor de roerdomp is butor. Dat woord is evenals Engels bittern ontleend aan Oudfrans butor. Volgens professor Lockwood is Frans butor waarschijnlijk een combinatie van de klanknabootsende wortel būt- (als weergave van de baltsroep) en Oudfrans tor ‘stier’ (omdat de baltsroep doet denken aan het loeien van een stier). De butor is dus eigenlijk een boe-stier, een boe-bul.
De koe en de roerdomp zeggen ‘boe’.
Maar de ‘Middelnederlandstaligen’ waren zich niet bewust van het klanknabootsende karakter van dat eerste element, althans, al vanaf de 14e eeuw duiken er varianten op als puto(o)r en pito(o)r, waarbij de stemhebbende bilabiale plofklank /b/ vervangen is door zijn stemloze pendant /p/.¹

Het Middelnederlandsch woordenboek (MNW) geeft onder het lemma putoor (varianten putoirputor, pitoor, pittoor, pittor en puter) een tiental attestaties. Het meest in het oog springt de vermelding van IIII hondert putooren voor een feestmaal van de Bourgondische hertog Filips de Goede, in 1454 – ongetwijfeld als wildbraad: goed eten, daar hielden ze van, de Bourgondiërs.
Hoe kwamen ze aan die 400 roerdompen?
Misschien waren ze geleverd door valkeniers, want ook roerdompen werden in de valkerij ‘gevlogen’. Maar het kunnen ook vogels zijn geweest die van hun nest waren geplukt, als nestjong of als broedende vogel, en vervolgens waren vetgemest. Het vangen van roerdompen op hun nest moet een lastige klus zijn geweest, want anders dan blauwe reigers en lepelaars broeden ze niet in kolonies, maar verspreid, en ook nog eens in moeilijk begaanbaar terrein, namelijk in rietmoeras. Een vorm van ‘roerdomphouderij’ blijkt uit de rekeningen van de Abdij van Rijnsburg, de benedictinessenabdij voor adellijke meisjes en vrouwen, waar voor 1484 of 1485 de kostenpost ael voir den putoirs ‘aal voor de roerdompen’ is opgevoerd.

De roerdomp heeft een klein neefje, de woudaap (Ixobrychus minutus), ook wel genaamd: kleine roerdomp, dwergroerdomp, kleine butoor. De Zaanse vogelfotograaf Nol Binsbergen toog omstreeks 1940 naar de Nieuwkoopse Plassen om er de woudaap te fotograferen. In zijn boek Uit Neerlands vogelleven staat een foto waarop hij, jasje-dasje, oog in oog staat met een aandoenlijk klein woudaapje, staand op ’t nest. ‘Butoor, de wouwaap’ is de titel van het hoofdstuk. Hij schrijft: “Butoor is de volksnaam van een vogel, waarmee de bewoners van het Utrechtsche veengebied den wouwaap bedoelen, een der merkwaardigste dieren uit de vogelwereld, met den zoo zonderlingen vogelnaam”. De vissers van de Nieuwkoopse Plassen noemen hem woudaap, schrijft hij, en vanwege “dat wonderlijk geblaf” – volgens hem precies het blaffen van een schippershondje – ook vliethond

Dankt Botaurus, de roerdomp, de buto(o)r, zijn naam aan zijn diepe, doffe, verdragende roep, een geluid als dat van een taurus, een stier, de roep van Ixobrychus, de woudaap, het butoortje, klinkt als een canis, een hond.




1 De verandering butoorputoor is een voorbeeld van het taalkundige verschijnsel ‘versterking’ (strengthening).
Het woordaccent bleef op de tweede lettergreep, zoals bij het Franse bronwoord butor. Bij Engels bittern (de n is secundair, m.a.w. een latere toevoeging) ligt het accent wél op de 1e lettergreep.
2 De spelling putoir (en pitoir) impliceert dat de klinker voor de slotklank /r/ een gerekte /oo/ was (vgl. de plaatsnaam Goirle).
3 Blok & Ter Stege vermelden als volksnamen voor de woudaap o.a. blafhond en vleethond en waffer en woffer.
Hoe zouden de vissers van Nieuwkoop en Noorden dan de roerdomp hebben genoemd? Gewoon ‘roerdomp’? In ieder geval, in de omgeving van Gouda heette de woudaap ± 1920 butoortje en wouwaapje, terwijl de roerdomp er ‘roerdómp’ heette (Scheygrond).


Referenties
Vroegmiddelnederlands Woordenboek (VMNW), lemma’s butor en butorius.
Middelnederlandsch woordenboek (MNW), lemma’s butoor en putoor.
A. Scheygrond, ‘Avifauna Goudana; lijst der tot dusverre in de omstreken van Gouda in wilden staat waargenomen vogelsoorten, slot’, in De Levende Natuur 27(10):302-311, p. 305.
Nol Binsbergen, Uit Neerlands vogelleven, 1941, p. 53.
W.B. Lockwood, The Oxford Book of British Bird Names, 1984, lemma’s bumble en bittern.
Henk Blok & Herman ter Stege: De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 1995, 4e druk 2008, lemma’s roerdomp en woudaap.
Nicoline van der Sijs, ‘Etymologica: vogels in het wild en op tafel’, in Neerlandistiek; online tijdschrift voor taal- en letterkunde, 28-06-2021.



» Middelnederlands butor ‘roerdomp’.
» Twents ieperon ‘roerdomp’.
» Zaans haaijong ‘roerdomp’.
» De etymologie van woudaap.
» De veldnaam Lepelkooien, een lepelaarhouderij?
» index


Geplaatst op 22 februari 2022, het laatst gewijzigd op 6 juni 2022.

© de 5e Verdieping 2022