De Zaanse veldnaam Lepelkooien


Lepelkooi is een van de vele veldnamen die G.J. Boekenoogen heeft opgenomen in De Zaansche volkstaal. Hij zegt erover: “alleen in het meerv. de Lepelkooien, naam van een stuk land te Jisp. Vgl. KOOI.” Een kooi was een stuk land waar vogels gehouden werden. Het woord komt in tamelijk veel Zaanse veldnamen voor, vaak in combinatie met de naam van de (oorspronkelijke) eigenaar, bijv. Jan Smitskooien en coyen van Neeltgen Floeris. Maar Lepelkooien is een geval apart.

Lepel in de betekenis ‘lepelaar’ staat niet in het WNT, maar ik denk dat dit de woordbetekenis is die in Lepelkooien zit en dat de Lepelkooien een akker(complex) was waar lepelaars gehouden werden. In ieder geval lezen we bij de 17e-eeuwse Zaandammer geschiedschrijver Hendrick Soeteboom dat veel Jisper binnenvissers ooit, in de 16e eeuw of nog eerder, voor de aardigheid lepelaars hielden, die ze voerden met visafval:

Het was nu soo, dat over hondert jaren, of meer, tot Jisp de meeste lieden hen geneerden met de Zeevaart, met de Landt-bouw, en met de Visscherijen op de Meiren; die van het Oost-endt waren al te maal byna Visschers op de kleine wateren, en tot ’et verval van kleine Aal, Spiering, Pos, Bley, Gruntel, en diergelijk, hielden se de Lepelaren tot hen-lieden vermaak, gelijk nu noch wel geschiedt (nevens ’t houden van de Oije-vaars) op de Vis-markten, dewijle dat die Vogelen na dat aas seer begeerig zijn, en hen lichtelijk in die gelegentheidt daar mede konnen geneeren en voeden; dit, alsoo se hier overvloedig gehouden wierden, wordt verhaalt, heeft oorsaak gegeven tot ’et Wapen van Jisp, het welke zy overal in hunne Vlaggen en Wimpelen ommevoeren.

Nol Binsbergen:

Wanneer dit verhaal op waarheid berust, mogen we uit het feit dat de visschers van Jisp in de 16e eeuw lepelaars als „huisdier” hielden, concludeeren dat in die dagen in de naaste omgeving lepelaars broedden, uit welke kolonie de visschers de halfwassen jongen weghaalden.




Referenties
Hendrick Soeteboom, Saanlants Arcadia, 1658, p. 472-473.
G.J. Boekenoogen, De Zaansche volkstaal, 1897, lemma’s Lepelkooi en kooi.
Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), lemma lepel (gepubliceerd in 1914).
Nol Binsbergen, Vogels van weide en rietland, 1937 p. 93-94.



» De veldnaam De Twee Zurings.
» De veldnaam Jan Duivis’ Eendekooi.
» De veldnaam Kiekeboe.
» De Zaanse vogelnaam haaijong.
» index


Geplaatst op 22 december 2015, gewijzigd op 14 januari 2019.

© de 5e Verdieping 2015-2019