De opgeschoten knullen van Maarten ’t Hart


In de NRC van 9 oktober behandelde taalhistoricus Ewoud Sanders vaste verbindingen als belendende percelen, snode plannen en struise vrouwen. “Opmerkelijk is dat ik geen bijvoeglijke naamwoorden heb gevonden die min of meer exclusief worden ingezet om mannen te karakteriseren”, schrijft hij.
Wat te denken van opgeschoten?
Google d.d. 18-10-2019: "opgeschoten jongens" 9420, "opgeschoten meiden" 189 resultaten.

In De nachtstemmer, de nieuwe roman van Maarten ’t Hart, belandt de Groningse orgelstemmer Gabriel Pottjewijd in een naamloos Hollands havenstadje, waarin we wel Maassluis mogen herkennen, de geboorteplaats van de schrijver. Het stadje en zijn inwoners maken een vreemde indruk op de Groninger. Het is een smerig, luidruchtig oord, waar de inwoners er behagen in scheppen om elkaar te stangen, bij de beer te nemen. Belangrijke figuranten vormen de opgeschoten knullen.

Opgeschoten jongens, wat zijn dat eigenlijk?
Van Dale definieert opgeschoten als ‘rijzig, lang’, bij uitbreiding ‘tussen jongen en jongeman in’.
De pocketwoordenboeken van Prisma en Van Dale en de handwoordenboeken Koenen en Kramers: ‘bijna volwassen’.
Opgeschoten is het bijvoeglijk gebruikt deelwoord van opschieten ‘opkomen, groeien’, zoals in haveloos tussen de stenen opschietend leigrijze ganzenvoet.

Afgaande op de woordenboeken zegt opgeschoten jongens niks over het gedrag: het zijn gewoon jongens die bijna volgroeid zijn. De opgeschoten jongens luisterden aandachtig naar de dominee kan dan goed. Zou ook kunnen gelden voor het tweetal dat Pottjewijd aantreft in het boemeltje naar Hoek van Holland:

[p. 13]  Tegenover mij zaten twee opgeschoten knullen die discussieerden over een tatoeage op de rug. Wat moest het worden, een vis of een vogel? De kleinste van de twee opteerde voor een vogel.
  ‘Maar wat voor vogel wil je dan laten zetten?’ vroeg zijn metgezel.
  ‘Een oranje troepiaal met een knalgele snavel.’
  ‘Nou, geef mij de christusvis maar. Dan laat je zien waar je voor staat.’
  ‘Ja, maar die christusvis is hartstikke duur.’
  ‘Zo’n troepiaal zeker niet? Man, je bent alleen al een tiet met dubbeltjes kwijt voor die snertsnavel.’
  ‘Bij de christusvis moet je voor elke schub apart dokken.’
  ‘Bij de troepiaal voor elk veertje.’
  En zo redetwistten ze maar voort, beiden steeds nijdiger wordend. Zelden tussen de rails zo’n raar gesprek gehoord.

Een onalledaagse conversatie tussen ogenschijnlijk brave refojongeren.
Zelf denk ik echter eerder aan Opgeschoten jongens schoten propjes in de richting van de dominee, want voor mij heeft opgeschoten een enigszins negatieve connotatie en zijn opgeschoten jongens per definitie wat ruwe klanten, luidruchtig en ongepolijst. Maar niet per se agressief.
Ook hierbij levert De nachtstemmer materiaal:

[p. 16]  Halverwege de Haven doemde opeens uit een zijstraat die, zag ik op een blauw muurbordje met witte letters, het Wijde Slop heette, een opgeschoten knul op.
  ‘Mag ik je wat vragen?’ riep ik.
  ‘Wat mot je?’ zei de morsige knaap.
  ‘Waar is het Zeemanshuis?’
  ‘Daaro,’ zei de jongen, en hij wees in de richting van een statig, groot huis met een torentje erop.
  ‘Is dat het Zeemanshuis?’
  ‘Hebbie me dat horen zeggen? Nee, man, da’s het Zeemanshuis niet, da’s ’t oude stadhuis, het Zeemanshuis ligt d’r achter, op de Wip, je ziet het vanzelf als je voor je gat uit loopt.’

[p. 104]  Hij overhandigde mij het bijbeltje, zei: ‘Vaak hebbie lui, opgeschoten knullen meestal, die voor noppes een bijbeltje proberen te bemachtigen omdat de blaadjes van zulk mooi dun papier zijn gemaakt. Scheuren ze die blaadjes eruit, kennen ze dan een sjekkie, een zware van de weduwe, mee rollen. Sparen ze een paar pakkies Mascotte mee uit.

Het zal zo zijn: de schrijver wil met ‘opgeschoten’ niets zeggen over het gedrag van die knullen; in het havenstadje waarin De nachtstemmer zich afspeelt, gedragen bijna volwassen jongens zich nu eenmaal wat ‘onvoeg’.
Er is echter een woordenboek waarin opgeschoten wél een ongunstige connotatie heeft: WikiWoordenboek definieert opgeschoten jongen namelijk als ‘lastige jongen die bijna volwassen is’.




In de autobiografie van Henriette Roland Holst (1869-1952) vond ik een passage die strookt met mijn beleving van opgeschoten jongens (en meisjes).

Daarbij was ’s Graveland op den duur geen prettige woonplaats. Er woonden vrijwel enkel grootgrondbezitters, eigenaars van de buitens tussen ’s Graveland, Hilversum en Bussum. Verder waren er van oudsher een aantal wasserijen, welker personeel tamelijk ruw was. Wanneer wij wandelden, riepen opgeschoten jongens en meisjes ons achterna: ‘alle socialen in een harington’ en dergelijke verheffende liederen.




Referenties
Henriette Roland Holst, Het vuur brandde voort, 1949, 3e druk 1979, p. 111.
Maarten ’t Hart, De nachtstemmer, 2019.
Ewoud Sanders, ‘Struise vrouwen in belendende percelen’, Woordhoek, NRC Handelsblad, 09-10-2019.



» Smuigerdje in Het Psalmenoproer.
» De witte laarsjes in De kroongetuige.
» Recensenten over De kroongetuige.
» Knul, van pejoratief naar amelioratief?
» Stekkeren bij Maarten ’t Hart.
» De zonnewijzer van Maarten ’t Hart.
» De atypische bouw van Freek Volbeda.
» In welk jaar speelt De nachtstemmer zich af?
» index


Geplaatst op 5 november 2019, gewijzigd op 17 december 2020.

© de 5e Verdieping  2019-2020