Herman Gorter werkt aan de Mei


Tijdens de kerstvakantie, min of meer aan huis gekluisterd door de tweede lockdown en wat lanterfantend, ontdekte ik dat op enkele honderden meters van waar ik woon in de zomer van 1887 Herman Gorter, 23 jaar oud, werkte aan zijn epos Mei. Daaraan was hij dat voorjaar begonnen, in de balkonkamer van Villa Beeckzangh in Beverwijk. Een nieuwe lente en een nieuw geluid. Nu had hij zes weken lang een woning tot zijn beschikking gekregen op het landgoed Zandbergen, ten zuiden van Amersfoort, om ongestoord verder te kunnen werken.¹ Op Zandbergen was een opvoedingsgesticht voor weeskinderen gevestigd dat werd bestierd door de vader van een vriend.

In de bijzondere Herman Gorter Documentatie van Enno Endt – het is een collage van herinneringen, dagboekfragmenten, persoonlijke documenten, foto’s, enz. – zijn twee ongedateerde fragmenten opgenomen uit brieven die hij in het huis schreef aan Wies Cnoop Koopmans, zijn latere vrouw.

En mijn gedachten liepen uit mijn huis

Als ik mij niet bedrieg dan zal deze tijd voor mij een gelukkige worden. Ik ben nu een nacht in de stilte geweest, en het doet mij al goed. Wijd en zijn om mij, terwijl ik wakker lag, was er niets, maar midden in de eenzaamheid ik alleen, met de stilte. En mijn gedachten liepen uit mijn huis, naar alle kanten, Noord en Zuid en Oost en West, en ze stootten op geen mensch in den nacht. Hier heersch ik dus over mijn gedachten, zouden ze niet goed en mooi worden in deze eenzaamheid? Voor mijn huis ligt de straatweg en over den straatweg de spoor van Amersfoort naar Kesteren. De weg is beplant met eiken, en tusschen de eene rij in staat eikenhakhout, waartusschendoor ik de hooi- en boerekarren zie voorbijkomen. Het is nu wel jammer, dat ik mijn achterkamer niet gebruik, het uitzicht is daar heel mooi, over rogge en koren naar eiken en dennebosschen.
  Ik vind het zoo heerlijk hier zes weken te kunnen blijven, geheel alleen. Wat een menigte dingen zal ik denken en zien en hooren, waaraan ik vroeger nooit gedacht heb. Het is of de bladen der boomen al nieuw en anders ruischen. Er loopen lange rillingen van wind door het hout.


Vannacht zag ik de boomen staan als een rij grenadieren in gelid

Mijn vacantie is bijna uit. Wat was het heerlijk. Nu ik terugzie lijkt het één berg geluk. Ik geloof dat zes weken zóó, meer genot geven dan op reis. Ik geloof niet dat ik dat goed zou verdragen, zoo telkens nieuwe mooie dingen te zien. Hoewel, ik zie hier ook iederen dag nieuwe mooie dingen. Vannacht zag ik de boomen staan als een rij grenadieren in gelid, ze fluisterden tegen elkaar, en eergisteren was ik heel vroeg op, toen de dauw er nog was. Toen was alles nieuw en lichtte in water en zonnestralen. Hè, toen heb ik achterover in het gras gelegen en in de zonneschijn en toen heb ik ook nog verzen gemaakt.
  Het is zoo mooi weer nu dáárvoor; de zon brandt op den witten straatweg, en de kwikstaartjes vliegen er op, en weer op. De boerekarren met boerinnen en een boer in het zwart met een pet scheef, komen onophoudelijk voorbij met zwaar geratel. Het is markt in de stad. De vogels maken weer geluid alsof het lente is geworden. O, het is lente geworden weer, het blijft lente voor mij tot de dood toe.


Die ‘straatweg’ waarlangs de boeren naar de stad reden, is nu de Arnhemseweg-Zuid. Het huis stond aan de westzijde van de weg.
De spoorlijn, de huidige Ponlijn, wordt alleen nog gebruikt door een grote auto-importeur uit Leusden.
De korenvelden hebben plaatsgemaakt voor het Leusderkwartier.
Gorters huis is in de jaren zestig gesloopt.




1 Zoals Keats, een van Gorters voorbeelden, in isolement Endymion had gemaakt.


Referenties
Enno Endt [samensteller], Herman Gorter Documentatie 1864-1897, 1964.
Herman de Liagre Böhl, Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd; Herman Gorter, 1864-1927, 1996, p. 60-61 en p. 507, noot 18.



» Het eenvoudige landhuisje van de Gorters.
» Fietsen in Verzen.
» Herman Gorter, partijbons?
» Van het Reve sr. ontmoet de grote Gorter.
» index


Geplaatst op 30 juli 2021.

© de 5e Verdieping 2021