voort gaan de rijende wielen
om de trappende voeten

Fietsen in Verzen (1890)


Aanvankelijk was fietsen vooral iets voor de happy few, voor sportieve lieden met geld. De dichter Herman Gorter (1864-1927) was zéér sportief: hij crickette, tenniste, voetbalde, zeilde, zwom, schaatste en fietste. Gorter had al vroeg een fiets. In het onderstaande gedicht uit de bundel Verzen rijdt de ik-figuur over de hei. Hij trapt stevig door, maar is tegelijk met al zijn zintuigen gericht op de natuur.

Avond. De heuvels vallen vaal -
klimt de hemel in praal
hoog naar de sterren,
somber zon laat en rood, verre.

De grijze stofweg
vast in de somber stronkrommelde hei,
boomen voor ’t zonrood vèr weg,
waar ik adem en rij.

Geuren, vocht- en kouzoete -
voort gaan de rijende wielen
om de trappende voeten -
oogzwerven en zweetrillen.

In 1890, het jaar waarin de sensitivistische bundel Verzen verscheen, was Gorter leraar klassieke talen aan het gymnasium in Amersfoort. Hij was in die tijd erg labiel: “Ik liep een jaar rond met een licht hoofd en rare oogen als ik er nu aan denk”.¹ Amersfoort was toen nog een klein provinciestadje in de natuur. In het zuiden en westen lagen de heidevelden en zandverstuivingen van de Utrechtse Heuvelrug. Daar reed de dichter hypersensitief rond, over “de somber stronkrommelde hei”.

 

 

1 Herman de Liagre Böhl, Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd; Herman Gorter, 1864-1927, 1996, p. 126-127, 144.

 

» Gorter is op zijn fiets gekomen.
» Frederik vietst.
» Een vroege vindplaats van fiets.
» Fiets in zijn prehistorie.
» index


Geplaatst op 2 januari 2015, gewijzigd op 23 januari 2015.

© de 5e Verdieping 2015