Herman Gorter, partijbons?


“Maar Hoyer is al te ver heen, hij begint bij de bonzen van de S.D.A.P. te hooren …”. Dit schreef Nescio al zo in de eerste versie van Titaantjes, in 1911 of 1912.¹ Gorter was toen al uit de SDAP gezet, de partij waarvan hij in 1897 lid was geworden. Zoals hij hartstochtelijk was in de sport, de liefde en de poëzie, was hij dat ook in de politiek. Henriette Roland Holst, die met haar man, de kunstenaar Richard Roland Holst, in ’s-Graveland woonde, schrijft in haar autobiografie:

In het begin van het najaar [1896] kwam Gorter, die wij in een poos niet gezien hadden, bij ons binnen lopen. Hij vertelde ons dat hij druk in Marx zat te studeren en ried mij aan Das Kapital te lezen. Dat was de sleutel tot het begrip van de maatschappij. En zonder dat begrip kon men onmogelijk goede en grote poëzie maken. Zoals altijd, wanneer Gorter een nieuwe schakel in de keten der waarheid ontdekt had, verabsoluteerde hij die. Gedurende een aantal jaren vond hij in het marxisme volkomen bevrediging. Hij las alle werken van Marx, Engels en Kautsky. Toen wij in de zomer van 1898 onze vrienden opzochten te Egmond aan de Hoef, waar zij voor de zomervakantie een kamer gehuurd hadden, lagen de jaargangen van de Neue Zeit op alle stoelen en tot op de grond opgestapeld.²

Gorter werd een prominent partijlid, maar is nooit een partijbons geweest. Bij bonze horen ‘pluche’ en ‘ivoren toren’, een bonze is een functionaris die eerst en vooral bestuurt. Twee citaten uit de Gorterbiografie van De Liagre Böhl:

Als voorvechter van de arbeidersbeweging manifesteerde Gorter zich niet bepaald als een handig of geslaagd politicus. Hij opereerde in de politiek bovenal als een rechtlijnige idealist. Scholingsarbeid en agitatie waren hem meer op het lijf geschreven dan het dragen van bestuurlijke verantwoordelijkheden of het functioneren in overlegstructuren.³

Een staaltje van zijn scholingsarbeid:

Vooral tijdens de campagne voor de Kamerverkiezingen van 1905 – toen hij bovendien lid was van het SDAP-hoofdbestuur – verzette Gorter bergen. In het kiesdistrict Gouda sloeg hij geen enkel dorp over, hoe afgelegen het ook was. […] Wekenlang fietste hij bijna elke dag vanuit Bussum naar de plaats waar hij ’s avonds een spreekbeurt had en na afloop fietste hij dan steevast door de nacht weer naar huis. Wies [zijn vrouw] was in die tijd vaak ziek en daarom wilde hij haar zo min mogelijk alleen laten.³

Gorter behoorde tot de orthodox marxistische vleugel van de SDAP, net als Henriette Roland Holst. In 1909 werden deze zogeheten tribunisten geroyeerd, waarop ze een nieuwe partij oprichtten: de Sociaal Democratische Partij (SDP), in de verwachting dat het grootstedelijke proletariaat zich wel massaal zou aansluiten. Het heeft niet zo mogen zijn.




1 Toen nog hoofdstuk 3 (zie Nescio, Verzameld proza en nagelaten werk, p. 467, 818).
2 Het vuur brandde voort, p. 97-98.
3 De Liagre Böhl p. 237 resp. 238-239.


Referenties
Henriette Roland Holst-van der Schalk, Het vuur brandde voort, 1e druk 1949, 3e druk 1979.
Herman de Liagre Böhl, Met al mijn bloed heb ik voor U geleefd; Herman Gorter, 1864-1927, 1996.



» Gorters cursusvergadering (Van het Reve vertelt).
» Hij begint bij de bonzen van de S.D.A.P. te hooren.
» ’s Morgens met Herman naar Hilversum gevietst.
» Fietsen in Verzen.
» index


Geplaatst op 31 maart 2015, het laatst gewijzigd op 16 december 2020.

© de 5e Verdieping 2015-2020