De grote stuntel gedetermineerd


In de roman Het psalmenoproer stuurt Maarten ’t Hart zijn romanpersonage Roemer Stroombreker op een goede dag in de zomer van 1775 naar de Maasmonding bij Maassluis en laat hem als een amateurornitholoog het weidse estuarium overzien. Stroombreker kijkt zijn ogen uit. Op de zandplaten, schorren en slikken krioelde het van het vogelleven. Op een schor lagen zeehonden te zonnen en daartussendoor scharrelde een stuntel op zijn rode poten.
En alweer een andere vogel trok zijn aandacht. “Wat was dat? Zag hij groene poten? Was het misschien een grote stuntel?”

Vijf jaar geleden kon ik er geen chocola van maken: het zijn vogelnamen die je in een vogelgids niet zult aantreffen.
De grote stuntel?
Ik had gewoon even de Dikke Van Dale moeten raadplegen, want onder het lemma stuntel staat het antwoord.

De groenpotige grote stuntel is de groenpootruiter (Tringa nebularia), een naam die door vogelaars vaak wordt verkort tot groenpoot.¹ De Duitsers noemen hem Grünschenkel, de Engelsen greenshank.
En dan die roodpotige stuntel. In het Duits heet hij Rotschenkel, in het Engels redshank. Letterlijk ‘roodschenkel, roodpoot’. Maar in het Nederlands tureluur (Tringa totanus).




De stuntel en de grote stuntel dus, en voorts…
“tienduizenden knoeten en hoedjes en grote en kleine grillen en strandjes en witvodden en slikmussen”.

Dankzij Binsbergen & Mooy (B&M) en Blok & Ter Stege (B&tS) kon ik nu ook die andere dialectnamen – want het zijn dialectnamen, geen nepnamen – merendeels ontcijferen.

grote gril | kleine strandloper (?)²
kleine gril | Temmincks strandloper (v/h kleinste strandloper)³
hoedje | bonte strandloper
knoet | kanoet
slikmus | bontbekplevier (B&M) of oeverloper (B&tS)
strandje | drieteenstrandloper
witvod, witvot | witgat




Het psalmenoproer speelt zich af rond 1775. Zo’n anderhalve eeuw eerder, omstreeks 1636, werd het Jacht-Bedryff geschreven, een manuscript dat handelt over de fauna van het Hollandse kustgebied. Hierin verschijnt de stuntel onder de naam stintel.

TURELUIJR oft STINTEL

Houden haer des somers inde hoijlanden; Is van d’ eerste die voedt en broeijt, leggende vier eijeren.




1 In Nederlandsche vogelen (deel 4, 1809) wordt de groenpootruiter behandeld onder de namen groenpoot en strandsnep.
2 De naam grote gril ontbreekt zowel in Zien is kennen! als in De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis.
3 Bonte strandloper (Calidris alpina), kleine strandloper (C. minuta), Temmincks strandloper (C. temminckii).


Referenties
[anoniem] Jacht-Bedryff; naar het handschrift in de Koninklijke Bibliotheek te ’s-Gravenhage [± 1636], bewerkt door A.E.H. Swaen, 1948, p. 66.
Cornelius Nozeman & Martinus Houttuyn, Nederlandsche vogelen, deel 4, 1809.
Nol Binsbergen & D. Mooy, Zien is kennen!, 1e druk 1937.
Maarten ’t Hart, Het psalmenoproer, 2006.
Henk Blok & Herman ter Stege, De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e druk 2008.



» Maartens vogels.
» Spanjaard lurkte aan zijn smuigerdje.
» Waarschuw je booi!
» De zwartkoptuinfluiter.
» Een literaire vindplaats van genadekruid.
» index


Geplaatst op 5 februari 2021, gewijzigd op 7 februari 2021.

© de 5e Verdieping 2021