De metamorfose van Hoyer


Vijf titaantjes waren er: Bavink, Bekker, Hoyer, Koekebakker en Kees Ploeger. “Aardige jongens”, aldus Koekebakker in de openingszin van Titaantjes. Niettemin wordt Hoyer vrijwel steeds negatief neergezet. In De uitvreter is het de uitvreter zelf die zegt: “Die kerel deugt niet, die moet vooral maar veel met verf knoeien, voor iets beters is ie toch niet goed.” Alsof Nescio karaktermoord wilde plegen op zijn personage.

Maar in Buiten-IJ (1914) openbaart zich even een heel andere Hoyer. In dit verhaal hebben Hoyer en Bavink in Schellingwoude een tochtig dijkhuisje gehuurd aan het Buiten-IJ.

Maandenlang kwamen zij uit hun oord niet vandaan. Geheel verkleumd zat Bavink op de sluis te schilderen, in dolzinnig idealisme liep Hoyer uren lang in den mist over den kronkelenden zeedijk tot Uitdam en verder, hij klaagde niet als er geen drank was, hij liet Bavink z’n demi over, hij kreeg natte voeten en merkte ’t niet. ’s Morgens zatti op den rand van zijn bed en wreef de opgedroogde modder uit z’n sokken en was genoegerig. Hoyer leefde als een heilige, een schetsend en schilderend heilige.
  Wekenlang zag-i paars van de kou, heele dagen sprakki haast geen woord, omdat er niemand was om tegen te spreken, Bavink schilderde of sliep, en toch klaagde Hoyer niet, hij verlangde niet naar de Kalverstraat, niet naar z’n kroeg, niet naar de meisjes.

Koekebakker ziet het met verwondering aan: “ en Lien vond dat ’t tochtte. Hoyer zei, datti daar nooit iets van gemerkt had, Hoyer die vroeger nooit op een blauwe stoep wilde zitten, omdatti daar zoo koud van werd.”

Terug naar Titaantjes. In de epiloog staat dat Hoyer een erfenis heeft gekregen en een welgesteld man geworden is: “’s Avonds zit-i op ’t Leesmuseum en leest ’t Berliner Tageblatt. Schilderen doet-i niet meer.”



» Hoyer, SDAP-bonze in spe.
» De weergaloze opening van Buiten-IJ.
» Dan blinkt het toverachtig.
» De plaatsnaam Schellingwoude.
» index


Geplaatst op 9 februari 2015, gewijzigd op 10 februari 2015.

© de 5e Verdieping 2015