“I saw wood pigeons in the trees”

Houtduiven en stadsduiven

pigeons perched on the statues of the bishops


In A Moveable Feast is Hemingway in het hoofdstuk ‘A Strange Enough Ending’ op weg naar de salon van Gertrude Stein in de Rue de Fleurus. Hij loopt door de tuin van het Petit Luxembourg. Het is een prachtige lentedag en de kastanjebomen staan in hun bloei. Hij ziet er houtduiven en ook hoort hij houtduiven koeren vanuit het gebladerte. Het park ademt een serene sfeer.

Hemingway noemt wood pigeons, houtduiven, van andere duiven rept hij niet.¹ Geen stadsduiven, hoewel die er wel gezeten zullen hebben. Als lijdend voorwerp duiken ze op in de Parijse Hemingway-anekdote die Adriaan van Dis aanhaalt in het verhaal ‘KRR KRR KRR’ – het krr van koeren – uit het boek Stadsliefde.

Ook Ernest Hemingway bezong de duiven uit deze tuin. Vooral in de tijd dat hij in de rue Notre-Dame-des-Champs woonde en de cheques van literaire bladen te lang op zich lieten wachten. Als het jonge gezin thuis niet genoeg te eten had, trok de schrijver met de kinderwagen (mr. Bumpy) naar de nabijgelegen Jardin [du Luxembourg] om duiven met maïskorrels te lokken. Wie toehapte werd de nek omgedraaid. Karkas onder het dekentje. En dat vier, vijf keer achtereen. Met dezelfde handen waarmee hij later weer een romantische regel tikte.

De anekdote speelt in de tijd dat de Hemingways in Montparnasse woonden, in een eenvoudig flatje “over the sawmill” boven een houtzagerij op Rue Notre-Dame-des-Champs 133. Waarschijnlijk was het 1924 of anders 1925, want hun zoontje zat nog in een kinderwagen. Hemingway had zich inmiddels volledig op het schrijverschap gestort. In het hoofdstuk ‘Hunger Was Good Discipline’ zit hij op zwart zaad. “There is no money coming in since I quit journalism”, vertrouwt hij Sylvia Beach toe. Hij zoekt het Jardin du Luxembourg op omdat je daar geen etenswaren zag of rook en merkt in het museum dat hij de schilderijen met een lege maag intenser ondergaat en dat zijn opmerkingsvermogen groter is.²

Wat is het waarheidsgehalte van de anekdote?
“De door Hemingway beschreven armoede is overigens één van de grote ficties van A Moveable Feast”, schrijft Joris W. Smeets gedecideerd. Hadley, zijn toenmalige vrouw, beschikte namelijk over een ‘trustfonds’ dat een jaarinkomen genereerde waarmee je anno 1924 prima kon rondkomen in Parijs. Hemingway-biograaf Jeffrey Meyers schetst echter een wat somberder beeld: “Lack of money had been a serious problem since the beginning of 1924.” Hij schrijft dat Hadley maandenlang geen geld ontving uit de VS en “could not afford to have her shoes repaired”. Maar hongerlijden? In ieder geval had Hemingway het verhaal over de duivenjacht volgens Hadley verzonnen.³

De stadsduif komt in het hoofdstuk ‘A Strange Enough Ending’ niet voor, wel in ‘Hunger Was Good Discipline’, want te oordelen naar het gedrag en naar de habitat zijn het stadsduiven die Hemingway op de Place Saint-Sulpice ziet: “There was a fountain with lions, and pigeons walked on the pavement and perched on the statues of the bishops.” Ze streken neer (perched) op de beelden van de bisschoppen, gebruikten hun hoofden als perch. Hij maakt verder geen woorden vuil aan deze vogels, er valt geen onvertogen woord. Maar 80 jaar later verwoordt Adriaan van Dis een heel ander sentiment.

Als het aan de Parijzenaars ligt, werd alle duiven de nek omgedraaid. De haat jegens de ‘gevederde rat’ is groot. Ze poepen te veel. Hebben geen respect voor beelden. (Generaal De Gaulle huilt witte stront.)

Niet álle Parijzenaars denken er zo over. Van Dis’ overbuurvrouw laat de duiven zelfs binnen in huis en in het park zijn er “zorgzame dames en heren die dagelijks hun duifjes komen voeren”. Vanachter zijn bureau observeert Adriaan van Dis de duiven die in de dakgoot en op de vensterbank het hele jaar door, weer of geen weer, hun liefdesspel tentoonspreiden, van zo dichtbij dat hij duif voor duif herkennen kan aan kleine verschillen in het verenkleed.
En liefdevol observeert hij ook de duiven in het park als zij bij de vijver water komen drinken.

Ze drinken zo mooi uit de naburige vijver in de Jardin du Luxembourg – niet zoals de meeuwen en mussen, die een snavel water achterovergieten – nee, ze slurpen en slikken als wij. Geen andere vogel doet ze dat na. En hoor ze lawaaien in de klimop-guirlandes bij de langgerekte Médicifontein. Waag het daar niet hun parcours te doorkruisen, want ze duiken naar je hoofd en verjagen je subiet. Bukkend lach ik ze toe. Ze zijn nog jong en ik ken hun ouders. (Maak ik mezelf wijs.)


DG




1 Tegenwoordig zitten er ook collared doves (Turkse tortels) in het park, maar in Hemingways Parijse jaren kwamen die in Frankrijk nog niet voor; volgens Wikipedia dateert het eerste Franse broedgeval uit 1952.
2 Een sensatie die Knut Hamsun indringend heeft beschreven in zijn debuutroman Sult (Honger in vertaling).
3 Los van het huishoudboekje: het hád gekund, want Hemingway was een jager en het verschalken van parkduiven kan voor hem een verzetje zijn geweest, een spel.


Referenties
Ernest Hemingway, A Moveable Feast [the restored edition], 1964, ed. 2009.
Adriaan van Dis, Stadsliefde; scènes in Parijs, 2011, p. 247.
Jeffrey Meyers, Hemingway, a biography, 1985, p. 152.
Joris W. Smeets, Hemingway, ‘The best writers are liars’; de Parijse memoires van Ernest Hemingway en zijn vrienden, 2014, p. 13.



» De hondsdagen van monsieur Pan Vis.
» Gans en Hemingway in le Dôme.
» Vissen in de Seine.
» “And you mustn’t write slop”.
» Levend behang in vooroorlogs Parijs.
» index


Geplaatst op 2 september 2026.

© de 5e Verdieping 2026