tussen Gouw & Watering I

De Bankies, Henstuk, Kerkhof, De Stinkerd en De IJzeren Ven

oude veldnamen in het Westzijderveld / 7


Het gebied tussen de Gouw en de Watering, de Mallegatsloot en de Weelsloot heet op de oude topografische kaart Oost-Indië. Zowel Koger als Westzaanse boeren hadden er land.¹ Dat blijkt ook uit de naamgeving. Het naampaar Middenstuk en Achterstuk verraadt een oostelijk, Koger perspectief, want het Achterstuk lag ten westen van het Middenstuk, ‘Achter-’ in de ogen van een boer uit de Koog.

uitsnede veldnamenkaart

uitsnede Veldnamenkaart 1972 
(kaart Gemeentearchief Zaanstad) 

Henstuk
De naam Henstuk duidt mogelijk op een westelijk, Westzaans perspectief. Hen was namelijk een variant van heinde ‘dichtbij’.² Het zou kunnen zijn dat het perceel voor een Westzaanse boer zijn eerste stuk land was als hij over de Gouw bij zijn vaarland in Oost-Indië aankwam. Het Henstuk lag voor hem, relatief gezien, hen, dichtbij.

Schönfeld vermeldt de Zaanse veldnaam De Henste Ven, waarin hij hen eveneens opvat als ‘heinde, dichtbij’.

De Bankies
Gerrit Jacob Boekenoogen schrijft onder het lemma bank: “In namen van stukken land betekent het woord een laag in de grond.” Als voorbeeld geeft het onder meer “De Bankjes (weiland op de Koog).” Boekenoogens De Bankjes zal identiek zijn met De Bankies op de veldnamenkaart.

Kerkhof
Het Kerkhof was een geïsoleerd perceel in het centrum van Oost-Indië. Het lijkt uitgesloten dat er ooit een begraafplaats heeft gelegen. Van mensen althans. ¿Was het een veekerkhof? In de 18e eeuw waren er herhaaldelijk uitbraken van de veepest, een virusziekte die in korte tijd hele veestapels decimeerde. De kadavers werden ver in het land begraven en de begraafplaats werd niet meer begraasd. Door de naam Kerkhof bleef het perceel gemarkeerd als gevaarlijk terrein.
Ee andere mogelijkheid is dat het Kerkhof de naam was van een perceel dat in gebruik was als stortplaats. Vgl. autokerkhof.

De veldnamenkaart 1969 geeft behalve Kerkhof ook de veldnaam Kerkhoffie. Dat perceel lag eveneens in Oost-Indië en wel ter hoogte van de begraafplaats van Westzaan, in het verlengde van De Stinkerd. Op de veldnamenkaart 1972 is het naamloos.

De Stinkerd
Schönfeld vermeldt de veldnamen De Stinkerd (Gelderland) en Stjonkert (Friesland) en geeft als mogelijke verklaringen ‘weide die te laat bemest is’ of ‘weide waarin te veel gras groeit, zodat het door het vee vertrapt wordt’. Voor de Zaanse veldnaam De Stinkerd (op de veldnamenkaart De Stinkert; oude spellingvariant) zou ik andere verklaringen willen voorstellen:

Stinkerd is letterlijk iets dat, iemand die, stinkt. Bij een stuk land kun je dan denken aan een (voormalige) vuilstort. ¿Is De Stinkerd een oude belt?
Een alternatieve verklaring is dat De Stinkerd een ruige akker was. In het West-Fries (en in het Zaans?) heeft het woord namelijk ook de afgeleide betekenis ‘viezerik, smeerlap’ (eigenlijk ‘iemand die stinkt’). De Stinkerd, in de persoonsaanduidende betekenis (vgl. rijke stinkerd), zou dan metaforisch zijn gebruikt: ‘een stuk land, verwaarloosd (verruigd) als een stinkerd’. Ook De Ruigebol en De Vetlap kunnen zo worden verklaard.

De IJzeren Ven
Opvallend is dat slechts 4 van de ca. 185 namen op de veldnamenkaart ven-namen zijn: Jan Sluizerven, De IJzeren Ven en het naampaar Noorderven en Zuiderven, alle vier gelegen in Oost-Indië. De eerste twee percelen bestaan nog; ze grenzen aan de Gouw.

Een ven (Oudnederlands fenne) is in de woorden van de Dikke Van Dale: ‘{regionaal} gras- of weiland, in tegenstelling met hooi- of bouwland’.³ Meer in het bijzonder betreft het laaggelegen, nat (wei)land. Maar wat is dan een ‘ijzeren’ ven? De Elektronische Woordenbank van de Nederlandse Dialecten bevat Gronings ijzeren akker ‘akker waarop de predikant bepaalde rechten had’. ¿Zou deze definitie ook van toepassing zijn op de Zaanse veldnaam IJzeren Ven? En zo ja, wat hielden die “bepaalde rechten” dan in?

¿Of heeft het attribuut ijzeren betrekking op de bodemgesteldheid en duidt het op een harde ondergrond?

Of… genoeg gespeculeerd.


Dirk Glandorf




1 J. Hartog schrijft dat het land ten westen van de Watering grotendeels in gebruik was bij Westzaanse boeren.
2 Vgl. van heinde en verre ‘overal vandaan’, letterlijk ‘van dichtbij én van ver’.
3 Vgl. Fries finne (Oudfries fen(ne)), Duits Fenn (Oudhoogduits fenni), Engels fen (Oudengels fen(n)).


Referenties
G.J. Boekenoogen, De Zaansche volkstaal, 1897, lemma’s bank, henII en ven.
D. Vis, De Zaanstreek; een beschrijving van het Zaansche volksleven in zijn historische ontwikkeling, 1948, p. 38.
M. Schönfeld, Veldnamen in Nederland, 2e druk 1950 (ongewijzigde herdruk 1980), p. 62 en 127.
Gemeentewerken Koog aan de Zaan, ‘Benaming gronden in het Westzijderveld te Koog a/d Zaan’ [veldnamenkaart in de Beeldbank v.h. Gemeentearchief Zaanstad], 1972.
J. Hartog, ‘Straatnaamgeving Plan Westzijderveld (Havenzathe)’, personeelsblad Stadsontwikkeling en Openbare Werken Zaanstad, jg. 5, nr. 2.
Kees van der Wiel, ‘De boer als assepoester van de Zaanse geschiedenis’, in Geschiedenis van de Zaanstreek I, 2012, p. 218-237, m.n. p. 227.
Wurdboek fan de Fryske taal (WFT), lemma finne (d.d. 26-03-2025).
Elektronische Woordenbank van de Nederlandse Dialecten (eWND), lemma stinkerd (d.d. 26-03-2025).



» De Salamander, De Rozenboom, De Kleine Poort, De Eendracht en De Lattenpik.
» De Mok, De Slabbert en De Glazenmaker.
» Geerteveld, Knosterveld, Molenveld, Paalveld, Veeringveld en Vijfpootveld.
» Baard Springer, Drielingen, Gouwstuk, Het Matje en Ruzieakker.
» Akkers van De Waterhond, Matsmanstuk, De Elzenboom en Padland.
» Mallegat, Sigaar, Texel, Het Hofje en de Polder van Wijb Verwer.
» Biggestuk en Varkensland.
» Baanakker, Kopakker, Mosakker, Slijpakker en Turfakker.
» Breedje, Klampakker, Smidslandje, Tweebeen en De Driehond.
» Lombok, ’t Sloppie en Weeshuisland.
» Kousenband, Pruthuisstuk en Ruigebol.
» Legerland en Vijverzoom.
» index


Geplaatst op 26 maart 2025, het laatst gewijzigd op 17 april 2026.

© de 5e Verdieping 2025-2026