Een ringslang in Krommenie…


Krommenie als de noordelijkste uitloper van Amsterdam, waar de industrie ophoudt en het polderland begint.
Zo ziet Nicolaas Matsier (1945) zijn geboorteplaats in de roman Gesloten huis. Hij is er geboren en, tot zijn achtste, getogen. Woonde aan de Weverstraat, een straat die indertijd, voor de naoorlogse bouwwoede, aan de rand van het dorp lag, dus in zijn optiek precies op de scheiding van stad en platteland.

Achter ons huis begon het platteland, bij het veld van Klaas Booij, waar we slootje sprongen, vliegerden, in hooibergen kropen, en op onze rug tussen de pinksterbloemen lagen. Ik gooide een kat in een sloot om te zien of hij zwemmen kon. Tenminste, dat was ik van plan. Maar het lukte me niet. Ik zag er mijn eerste en tevens laatste ringslang.

Dit zal begin jaren vijftig zijn geweest. Een erg bijzondere waarneming, want in de Natuuratlas Zaanstad staat dat de ringslang tot 1985 niet in de Zaanstreek voorkwam.



… en een confrontatie met boer Mantel


Haast om de hoek, op de Molkade, woonde in die tijd Joop Goudsblom (1932-2020), de latere hoogleraar sociologie. Ook hij beschrijft het onafzienbare polderland uit zijn kindertijd.

Waterwerken 2
De Molkade was een kort straatje met niet meer dan vijf huizen. Het werd afgesloten door een houten hek en daarachter lagen weilanden, zo ver het oog reikte. Op een zondagochtend in de winter [± 1939] klommen Ad [een vriendje uit de Weverstraat] en ik over het hek en liepen het lege weiland in. Aan het einde daarvan stond een damhek, met aan de ene kant een brede sloot, de Vliet, en aan de andere kant een veel lager gelegen greppel. Het leek ons een aardig idee de sloot en de greppel eens met elkaar te verbinden, om het water te zien stromen. We gingen op onze knieën zitten en begonnen met blote handen te graven. Het ging vlot, en al gauw hadden we een gootje gemaakt waardoor het water uit de sloot naar de greppel begon te sijpelen. Net toen het water sneller ging stromen en kluiten grond met zich mee begon te trekken, werden we allebei tegelijk in onze kraag gegrepen en kregen we ieder een fikse draai om de oren. Het was boer Mantel, in blauwe overall op klompen, en hij vloekte en tierde zoals wij nog nooit een volwassene hadden horen vloeken en tieren.
  Zodra hij ons losliet, holden we weg, terwijl hij doorging met schelden, intussen het gootje met zijn klompen dicht stampend. We klommen zo snel we konden over het hek, en vluchtten bij mij thuis naar binnen. Toen we even later de boer zagen terugkomen van zijn land, kropen we onder de tafel. Hij had ons geconfronteerd met manieren die wij niet kenden en waar we niet op waren voorbereid.




Referenties
Nicolaas Matsier, Gesloten huis, 1994.
Ron van ’t Veer, Tom Kisjes & Nynke Sminia, Natuuratlas Zaanstad, 2012, p. 128.
J. Goudsblom, Geleerd; memoires 1932-1968, 2016, p. 37-38.



» De plaatsnaam Krommenie.
» Kiskossen in Krommenie.
» Het sjirpende vogeltje van Nescio.
» De etymologie van bruinvis.
» index


Geplaatst op 4 november 2019, gewijzigd op 26 maart 2021.

© de 5e Verdieping 2019-2021