Referent en connotatie van kletsmajoor


De betekenis van het woord kletsmajoor is wat diffuus. Voor mijn gevoel verwijst het naar een jongen of een man¹ (ongetwijfeld door dat -majoor), maar de woordenboeken zijn zo uitgesproken niet en hebben het meer in het algemeen over ‘iemand die…’. Verschueren schrijft zelfs expliciet: ‘geweldige klets(st)er’.

In 1914 omschreef Van Dale kletsmajoor als ‘kletser bij uitnemendheid’. Het WNT volgde Van Dale: ‘schertsende benaming voor "een kletser bij uitnemendheid"’. Een kletsmajoor is dan iemand die gewoon veel kletst. Zo ook nog volgens de laatste Van Dale. Dit past bij de verklaring die het EWN geeft voor kletsmajoor; dat is eigenlijk ‘iemand die een hogere rang in het kletsen had’. En dat past dan weer goed bij het synoniem kletsersbaas (WNT) en bij de collocatie gezellige kletsmajoor op internet.

In sommige woordenboeken heeft kletsmajoor echter een negatieve connotatie: ‘iemand die maar wat kletst; praatjesmaker’ (Koenen), ‘iemand die veel praat en onzinnige of onbelangrijke dingen vertelt’ (Prisma). En inderdaad, al in de vroegste attestaties is een kletsmajoor niet zomaar iemand die veel kletst, en zeker geen gezellige kletser, maar iemand die te veel praat of die vervelende dingen zegt, kortom, een vervelende kletsmajoor.

Hij pruttelt in zichzelven, of als hij er toe in de gelegenheid is ook tegen anderen, […], dat de ministeriën lamlendig zijn en dat de Kamerleden ‘kletsmajoors’ moesten heetten.³
(Justus van Maurik, Met z’n achten, 1883)

„Bewaar ons!” daar heb je waarachtig dien vervelenden kletsmajoor weer aan ’t woord!”
(18-04-1891, Bataviaasch Handelsblad)

Eens zelfs, toen zij in den regen naar een lange rede moest luisteren en door een parasol zeer onvoldoende tegen het hemelwater beschut was, verraadde zij door niets, dat zij den kletsmajoor naar de Mookerheide wenschte.
(29-06-1895, Bataviaasch Nieuwsblad)

Die Haman: zoo’n boekerige kletsmajoor, had Herman gezegd.
(Willem Paap, Jeanne Collette. Deel 2, 1896)

– Kerel! riep nu de ongeduldige inbreker uit, – jij bent een kletsmajoor, net als ze in de boeken staan!
(28-12-1896, Rotterdamsch nieuwsblad)

  „Zou het je beter bevallen, als je elken avond uitverzocht werd, je rechts en links allerlei vleiends werd gezegd, en de jonge meisjes je naliepen, alsof ze smoorlijk op je waren?” vroeg Karel.
  „Waarschijnlijk!” antwoordde Frans en geeuwde en wenschte den vervelenden kletsmajoor naar den drommel.
(07-06-1898, De locomotief)




1 I.t.t. kletskous, babbelkous en babbelkont.
2 Koenen: praatjesmaker ‘iem. die bluft, veel praatjes heeft’.
3 Dit is ook de oudste attestatie in het EWN.



» Deugniet ‘dekselse kwajongen’.
» Knul, van pejoratief naar amelioratief?
» index


Geplaatst op 30 november 2015.

© de 5e Verdieping 2015