“Maar zijn de dames dan niet bang voor haar teint?”


In 1914 ging Annie Verschoor in Leiden Nederlandse letteren en geschiedenis studeren – Nederlands en geschiedenis waren toen nog gecombineerd – en leerde zo de student Jan Romein kennen. College kreeg ze onder meer van de historicus (en sanskritist) Johan Huizinga en van de taalkundige C.C. Uhlenbeck.

Uhlenbeck was een introverte kamergeleerde met lichtschuwe ogen. In zijn studeerkamer raakten de gordijnen en de tochtdekens elkaar bijna, en voor het hoge, zonnige raam-op-de-tuin in de Kloksteeg vroeg hij uiterst hoffelijk: ‘Willen de dames het gordijn niet neer hebben?’ Waarop de dames, niet zo hoffelijk als hij, negerend dat het hém hinderde: ‘He nee, professor!’ en Uhlenbeck, een beetje onthutst: ‘Maar zijn de dames dan niet bang voor haar teint?’

Hier wordt haar nog gebruikt als bezittelijk voornaamwoord van de 3e persoon vrouwelijk meervoud: de teint van de dames, haar teint. Vroeger werd haar gebruikt voor mannelijk, vrouwelijk én onzijdig meervoud, en nog aan het eind van de 19e eeuw was de officiële regel dat men in de schrijftaal naar vrouwelijke woorden in het meervoud met haar verwees, hoewel in de spreektaal hun al gangbaar was.¹

We vervolgen het citaat:

Hij was een geboren conservatief, maar zeer ruimdenkend, verdraagzaam en zachtzinnig en van dat naïeve soort woeste geleerdheid die zich geen voorstelling kan maken van de onwetendheid van anderen. Hij gaf een college Gotisch voor eerstejaars dat wij met enige inspanning konden volgen en een college vergelijkende taalwetenschap, dat 90% van zijn gehoor als Chinees in de oren klonk. Op het eerste college dat ik bijwoonde, zat ik hem blijkbaar zo verbijsterd aan te staren, dat hij mijn naam vroeg en toen heel welwillend vroeg: ‘Begrijpt u het niet?’ ‘Neen, professor.’ Hij begon van voren af aan een reeks Sanskriet, oudkerkslavische, Griekse, Litouwse, etc. taalstammen in hun onderlinge verwantschap te analyseren en toen hij na een kwartier weer even vriendelijk kwam vragen of ik het nu beter begreep, begreep ik alleen, dat ik ja moest zeggen. Zo kon hij ook, volkomen te goeder trouw, zich tot een van de kandidaten wenden, die drie weken te voren verlof hadden gekregen het oudnoors in hun doctoraalprogramma door Russisch te vervangen, hem een Oekraïens versje voorlezen en eraan toevoegen: ‘Dat kan u wel even voor ons vertalen, mijnheer Romein, u doet immers Russisch?’


1 Taal als mensenwerk, p. 450.


Referenties
Annie Romein-Verschoor, Omzien in verwondering 1, 1970, p. 102-103.
Nicoline van der Sijs, Taal als mensenwerk: het ontstaan van het ABN, 2004.



» Willem en Gerrit in haar japon.
» Annie Romein-Verschoor over de slavist Nicolaas van Wijk.
» index


Geplaatst op 2 september 2015, gewijzigd op 16 september 2015.

© de 5e Verdieping 2015