De grielende griel


Griel  een ’s zomers in de duinen voorkomende, op de plevier lijkende vogel (Burhinus oedicnemus)

Aldus Van Dale, ed. 2015. Maar das war einmal. In 1923 broedden er nog ± 30 paar grielen in het Hollandse duingebied, waarvan 18 à 20 in de Amsterdamse Waterleidingduinen, maar inmiddels is de griel hier te lande uitgestorven. Het laatste broedgeval dateert uit de jaren vijftig.¹ Al in de tijd van Jac. P. Thijsse, zo rond 1900, was de griel een zeldzame verschijning. In Het Vogeljaar schrijft hij met vooruitziende blik:

Dit is eigenlijk in ons land een zeer zeldzame vogel en het kon wel eens gebeuren, dat hij ’t hier geen vijftig jaar meer uithoudt, want zonder woeste duinen of heidevelden kan hij niet bestaan. Bij ons broedt hij alleen in de duinen en wellicht ook in de Brabantsche Kempen. Naar ’t Zuiden toe wordt hij wat meer algemeen; rondom de Middellandsche zee is de griel een vrij gewone standvogel.

Ook in voorgaande eeuwen moet de griel al een zeldzame verschijning zijn geweest. In Jacht-bedryff, een manuscript uit ± 1636 over de avifauna en het jachtwild van het (Zuid-)Hollandse duingebied, wordt hij niet eens genoemd. En in 1880 schrijft J. Hendrik van Balen in Onze vogels: “De griel is niet menigvuldig bij ons en is slechts enkele malen in het duin waargenomen.”

Des te opmerkelijker dat er in Engeland nog een paar honderd paartjes broeden. Een van de strongholds van de stone curlew (letterlijk ‘steenwulp’²) is Norfolk, het graafschap dat recht tegenover Noord-Holland ligt. In Engeland broedt hij tegenwoordig vooral op bouwland.

Griel wordt algemeen beschouwd als een klanknabootsend woord.³ “De naam vindt zijn oorsprong in het wat giechelende geluid dat de vogel voort brengt”, schrijven H. Blok en H.J. ter Stege. Klaas Eigenhuis ziet een mogelijk verband met het (dialectische) werkwoord grielen ‘onophoudelijk lachen’. De grielende griel dan, naar de wulpachtige roep.


1 In de Kennemerduinen, bij Haarlem.
2 De griel is echter geen familie van de wulp, al lijkt hij er wel een beetje op (vrij groot, bruinachtig, duinvogel, wulpachtige roep), maar dan zonder die lange, gebogen wulpensnavel.
3 Zie Etymologiebank.nl.

 

Referenties
Jac. P. Thijsse, Het Vogeljaar, 1904, 2e druk 1913. Te raadplegen op dbnl.org.
H. Blok & H.J. ter Stege, De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 1e druk 1995, 2e druk 2000. Te raadplegen op Etymologiebank.nl.
Rob G. Bijlsma, Fred Hustings & Kees (C.J.) Camphuysen, Algemene en schaarse vogels van Nederland, 2001.
Fred Hustings & Jan-Willem Vergeer (red.), Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000, 2002.
Klaas J. Eigenhuis, Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, 2004.



» De etymologie van korhoen.
» De etymologie van kraanvogel.
» index


Geplaatst op 3 augustus 2015, gewijzigd op 4 augustus 2015.

© de 5e Verdieping 2015