Bluusterig ‘winderig, onstuimig’


“Buyig, bluusterig weer”, noteerde Frederik van Eeden op 27 april 1923 in zijn dagboek. Bluusterig, nooit van gehoord, staat ook niet in Van Dale, maar via Engels blustery ‘(of weather) characterized by strong winds’ (Oxford Dictionary) was de betekenis wel duidelijk: ‘winderig, onstuimig’. Het WNT en het Etymologisch dialectwoordenboek vermelden de gediftongeerde vorm bluisterig (/uu/ > /ui/), o.v.v. ‘in oostelijke gewesten’ resp. ‘Noordoost-Nederlands’ (oftewel in Nedersaksische dialecten), met als betekenis o.a. ‘winderig’. Fries bluisterich is ‘onstuimig en winderig (van weer en wind)’.¹ Bluisterig is een afleiding van bluisteren. Oost-Fries blüstern(o.a.) heftig waaien’.²

Blijft de vraag hoe bluusterig in de woordenschat van de Haarlemmer/Bussumer Van Eeden terechtgekomen is.




1 WFT, bluisterich.
2 Brabants etymologisch woordenboek.


Referenties
Frederik van Eeden, Dagboek 1878-1923. 4 delen (te raadplegen via dbnl.org).
Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), lemma bluisteren (gepubliceerd in 1903).
Wurdboek fan de Fryske taal (WFT), lemma bluisterich.
A.A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek, 1996, lemma bluisterig.
Frans Debrabandere, Brabants etymologisch woordenboek, 2010, lemma blaasteren/bluisteren/blesteren.
Neerlandistiek.nl: Michiel de Vaan, Addenda EWN d.d. 31-03-2016: bleisteren, bluisteren.



» Mokkerig bij Nescio.
» Slordig weer bij Claas Caeskoper.
» Een wakkere wind bij Claas Caeskoper.
» index


Geplaatst op 4 mei 2015, gewijzigd op 31 maart 2016.

© de 5e Verdieping 2015-2016