2 Juni Maandag. Naar Harderwijk, als voren. Zichtig.
(Natuurdagboek, 02-06-1947)

Zichtig?


Zichtig, het woord staat in het WNT:

Helder, klaar, doorzichtig; inz. van de lucht, de atmosfeer, het weder, ook van water. Veroud., maar nog gewest. in N.-Nederl. [gewestelijk in Noord-Nederland].

Zichtig is dialect, Standaardnederlands is helder. De tekstbezorgster van Nescio’s Natuurdagboek, Lieneke Frerichs, noemt het in haar aantekeningen “Noord-Hollands, verouderd”. Is zichtig een verkorting van doorzichtig of een afleiding van zicht? Gegeven de productiviteit van het achtervoegsel -ig in Noord-Hollandse dialecten is het goede antwoord ongetwijfeld antwoord B.

Een mooi, dialectisch antoniem van zichtig is diezig, dijzig ‘nevelig’, afgeleid van dies, dijs ‘nevel, mist’ (in het Nederlands verouderd, maar in het Noors als dis /dies/ ‘nevel’ nog springlevend).




Referenties
Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), lemma’s dijs en onder zichtII (gepubliceerd in 1911 resp. 1994).
J.H.F. Grönloh (ps. Nescio), Natuurdagboek 1946-1955, 1996. Bezorgd door Lieneke Frerichs.



» Laveloos bij Nescio.
» Mokkerig bij Nescio.
» Sikker bij Nescio.
» Zuurstang bij Nescio.
» Komt heiig van hei?
» index


Geplaatst op 14 februari 2014, gewijzigd op 14 april 2018.

© de 5e Verdieping 2014-2018