Van goudkievit tot zilverplevier

de ontwaarding van Pluvialus squatarola


Pluvialus apricarius is Frans pluvier doré en Nederlands goudplevier.
Pluvialus squatarola is Frans pluvier argenté en Nederlands zilverplevier.


~ van plevier naar kievit ~
Het werk Natuurlyke historie of uitvoerige beschryving der dieren, planten en mineraalen van de 18e-eeuwse arts-natuuronderzoeker Maarten/Martinus Houttuyn is een taxonomisch overzicht “volgens het samenstel van den Heer LINNÆUS”. Houttuyn geeft hierin Nederlandse equivalenten voor de Latijnse namen van Linnaeus, één naam per soort. Hij doet dat ook voor de vogels. Soms is zo’n vogelnaam nog altijd de officiële naam, Goud-Plevier (Charadrius apricarius †) bijvoorbeeld. Maar de zilverplevier noemt Houttuyn geen ‘zilverplevier’, maar Graauwe Plevier (Tringa squatarola †).
Linnaeus (en met hem Houttuyn) rekende de goudplevier en de zilverplevier ondanks hun sterke gelijkenis toch tot verschillende geslachten: de goudplevier tot de plevieren (Charadrii †), de zilverplevier tot de strandloopers (Tringae, nu de naam voor de ruiters, een deelgroep v.d. steltlopers). De reden was dat de zilverplevier anders dan de goudplevier een achterteen heeft, net als de kievit. Zo bezien was de naam Graauwe Plevier verwarrend: volgens de toen vigerende taxonomie was dat immers geen plevier. In het standaardwerk Nederlandsche vogelen (deel 5, 1829) is gekozen voor een nieuwe naam, die de verwantschap met de kievit tot uitdrukking brengt: grijze kievit. Grijsachtig is de zilverplevier in winterkleed.¹ In zomerkleed heeft hij juist een chic voorkomen: borst, buik, gezicht zijn zwart, de bovendelen zwart-wit (zilverachtig) getekend.

~ van grijs naar goud ~
De Leidse zoöloog professor Schlegel beschrijft de zilverplevier in 1860 onder de naam Goudkiewiet, Goud-Kievit. Dat zou tot in de 20e eeuw de officiële naam blijven; ook de vooraanstaande ornitholoog baron Snouckaert van Schauburg noemt hem in 1908 nog zo, met de toevoeging: “In Friesland: Zeewilster, Blanke Wilster, Zilverpluvier.”²

Niet iedereen was gelukkig met de naam goudkievit. In Het Vogeljaar schrijft Jac. P. Thijsse in het hoofdstuk over najaarstrek en wintergasten:

Nu staat opeens een prachtige vogel in ’t water, de onderzijde heelemaal zwart, ’t voorhoofd en wangen wit, de rug met grijze en witte vlekken. De donkere snavel is stevig en recht, weinig of niet langer dan de kop. Dit is de goudkievit, die nooit of nergens iets goudkleurigs aan zijn lichaam heeft, maar toch heet hij zoo.

Wat was Thijsses alternatief?
In 1908 schrijft hij in een artikel over een excursie naar Terschelling:

Tusschen al die kleine vogeltjes stapten een paar grootere ronde, donker van boven, licht aan de onderzijde, met nog al dikken kop en korte snavel. Dat waren goudkieviten, die ook wel zilverplevieren genoemd worden en eigenlijk zou de naam zilverkievit nog de beste zijn. De echte plevieren hebben geen achterteen, deze vogels wel en daardoor naderen ze tot de kievit.

~ van goud naar zilver, van kievit naar plevier ~
Die achterteen is geen doorslaggevend kenmerk gebleven, want niet het door Thijsse geprefereerde zilverkievit zou de nieuwe naam worden, maar zilverplevier. Die naam duikt al op in 1897, in de naamlijst opgesteld door de Friese ornitholoog Herman Albarda. Daarin fungeert zulverplevier(en) als naam voor het geslacht Squatarola; de sóórt zilverplevier (Squatarola squatarola †) heet bij Albarda nog steeds goudkievit.

Goudkievit raakte al snel in onbruik. In het populaire vogelgidsje Zien is kennen! (1937) wordt de naam niet meer vermeld.³




1 Vgl. Engels grey plover ‘zilverplevier’. De goudplevier heet in het Engels officieel European golden plover.
2 Het WNT over zilverpluvier: “volgens tal van bronnen bep. in Friesl., maar wsch. ook wel elders”.
3 Als oude officiële naam viel goudkievit tussen wal en schip, want de volksnamen zeeplevier, zeewilster, slykwilster (de officiële Friese naam) en blanke wilster werden wel opgenomen.


Referenties
Martinus Houttuyn, Natuurlyke historie of uitvoerige beschryving der dieren, planten en mineraalen, 1763.
Cornelius Nozeman & Martinus Houttuyn, Nederlandsche vogelen, deel 5, 1829, p. 479.
H. Schlegel, Natuurlijke Historie van Nederland, De dieren van Nederland, Gewervelde dieren, De vogels, 1860, p. xxxvi.
Herman Albarda, Aves Neerlandicae. Naamlijst van Nederlandsche Vogels, 1897.
Jac. P. Thijsse, Het vogeljaar; Nederlandsche vogels in hun leven geschetst, 1904, 2e druk 1913., p. 483.
  –  ‘Octoberdagen en -nachten op Terschelling’, De Levende Natuur 13(9):161-164, 1908, p. 164.
R.C.E.G.J. baron Snouckaert van Schauburg, Avifauna Neerlandica; lijst der tot dusverre in Nederland in wilden staat waargenomen Vogelsoorten, 1908, p. 190.
Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), lemma zilverpluvier (gepubliceerd in 1995).
Klaas J. Eigenhuis, Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, 2004, lemma’s goudkieviet en zilverplevier.



» Houtzaagmolen De Grauwe Kieft.
» index


Geplaatst op 14 mei 2022, het laatst gewijzigd op 19 mei 2022.

© de 5e Verdieping 2022