Lunch in de trein van broodjes en snoei


Lunch in de trein van broodjes en snoei, al in Zierikzee gekocht (o.a. miserabele ‘palingbroodjes’ van Potappel).
(18-07-1951)

In ZuidLaren snoei gekocht bij Hovius en in het café koffie en zij samen [de twee kleinkinderen] een fleschje rooie limonade met een rietje.
(07-07-1953)


Twee citaten uit het Natuurdagboek van Nescio.
Snoei betekent ‘snoepgoed’. Zoals snoep is afgeleid van snoepen, is snoei afgeleid van snoeien.¹ Het WNT geeft als vroegste attestatie van het werkwoord snoeien een citaat van Vondel uit 1672: My lust geen spys, maer gras te snoeien […] Het zelfstandig naamwoord snoei ‘snoepgoed’ wordt in het WNT niet behandeld, maar de boekendatabase van Delpher levert mogelijk ook voor snoei een 17e-eeuwse attestatie op, want in een gedenkboek ter gelegenheid van het 250-jarig bestaan van ‘Het Nieuwe Huys’² in Zaandam is op 28 april 1689 sprake van de 2 snoey kraampjes voor de kerk.² “Misschien snoepkraampjes”, schrijft de auteur.
Varianten van snoeien zijn snaaien (o.a. West-Fries en Zaans) en sneuen (Gronings).

Een andere betekenis van snoeien, snaaien is ‘gappen, jatten, stelen’.
Waarschijnlijk is het via het Jiddisch ontleend aan het Hebreeuws.³




1 Snoeien ‘snoepen’ staat in Van Dale, snoei ‘snoepgoed’ niet.
2 Het Nieuwe Huys is de doopsgezinde vermaning van (West-)Zaandam.
3 Zie EWN, lemma snaaien.


Referenties
G.J. Boekenoogen, De Zaansche volkstaal, 1897, lemma snaai.
Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), lemma snoeienII (gepubliceerd in 1932).
S. Lootsma, Friesch-Doopsgezinde gemeente West-Zaandam, 1687-1937, 1937, p. 44.
J.H.F. Grönloh (ps. Nescio), Natuurdagboek 1946-1955, 1996. Bezorgd door Lieneke Frerichs.
Etymologisch woordenboek van het Nederlands (EWN) 4: S-Z, 2009, lemma snaaien.



» Mokkerig bij Nescio.
» index


Geplaatst op 11 oktober 2021.

© de 5e Verdieping 2021