Levend behang in het Quartier Latin

bij George Orwell en Jacques Gans


George Orwell, Down and Out in Paris and London

My hotel was called the Hôtel des Trois Moineaux.¹ It was a dark, rickety warren² of five storeys, cut up by wooden partitions into forty rooms. The rooms were small and inveterately dirty, for there was no maid, and Madame F., the patronne, had no time to do any sweeping. The walls were as thin as matchwood, and to hide the cracks they had been covered with layer after layer of pink paper, which had come loose and housed innumerable bugs. Near the ceiling long lines of bugs marched all day like columns of soldiers, and at night came down ravenously hungry, so that one had to get up every few hours and kill them in hecatombs. Sometimes when the bugs got too bad one used to burn sulphur and drive them into the next room; whereupon the lodger next door would retort by having his room sulphured,³ and drive the bugs back. It was a dirty place, but homelike, for Madame F. and her husband were good sorts. The rent of the rooms varied between thirty and fifty francs a week.



Jacques Gans, Liefde en goudvissen

Ik pakte mijn koffers met boeken weer in, sleepte ze in de metro en haalde pas verruimd adem, nadat mijn oude hotelbaas in ’t Quartier Latin, in de Rue Jean-de-Beauvais […] mij weer in genade en op de pof aannam.
„Meneer,” zei hij vertrouwelijk, terwijl hij een sleutel van ’t rek nam: „Ik ben achtenzestig, doch ik ben maar één maal in mijn leven op de Rive Droite geweest, toen ik trouwde en dat is genoeg.” Hij liet in ’t midden of dit op zijn huwelijk dan wel op zijn reislust sloeg. Soms had hij echtelijke ongenoegens, die tot hoog in het hotel doorklonken. Maar hij borg mij op in een kamertje aan de binnenplaats.
„Gegarandeerd zuiver,” zei hij geruststellend terwijl hij de deur opensloot, want er waren kamers met en zonder levend behang. „Een oude klant laat men er niet inlopen. U heeft nu rust nodig. En u loopt weleens weg, maar u komt altijd terug.”




Orwell noemt het insectengebroed bugs, enkelvoud bug ‘an insect of a large order distinguished by having mouthparts that are modified for piercing and sucking’ (Oxford Dictionary). Het waren wandluizen, bedwantsen.

Soortgelijk ongemak vormde de mensenvlo. Jacob van Lennep beschrijft in zijn bekende reisdagboek hoe zijn metgezel, graaf Dirk van Hogendorp, in een logement in het Drentse dorp Borger een onrustige nacht had doorgebracht:

Woensdag, 2 Julij [1823]. Te half vier wekte mij VAN HOGENDORP en drong mij op te staan, en zoo spoedig mogelijk het huis te verlaten, de arme sukkel had de gansche nacht strijd geleverd met zekere vlug springende gediertens en de overheerlijke vlooienboter (door SMIT aan ’t bureau van Inlandsche vlijt te Amsterdam) tegen die zomerplaag uitgevonden (Zie Amsterd. Courant) verzuimd met zich te nemen.




1 Het Hôtel des Trois Moineaux stond in de Rue du Pot-de-Fer.
2 rickety warren ‘bouwvallig doolhof’.
3 (to) sulphur ‘zwavelen: verdelgen d.m.v. zwaveldamp’.


Referenties
Nederland in den goeden ouden tijd. Zijnde het dagboek van hunne reis te voet, per trekschuit en per diligence van Jacob van Lennep en zijn vriend Dirk van Hogendorp door de Noord-Nederlandsche provintiën in den jare 1823.
George Orwell, Down and Out in Paris and London, 1933.
Jacques Gans, Liefde en goudvissen, 1940.



» Vissen in de Seine.
» “And you mustn’t write slop”.
» index


Geplaatst op 7 september 2020, gewijzigd op 7 oktober 2020.

© de 5e Verdieping 2020