Het nomen agentis van ouwenelen


In het Volkskrant Magazine van 21 september beoordeelt culinair recensent Hiske Versprille het eensterrenrestaurant van het hoofdstedelijke De L’Europehotel. Beetje een ver-van-mijn-bedshow, maar zo maakte ik wel kennis met een nieuw woord: “De boomlange sommelier, een beetje een ouweneel maar hartelijk genoeg, brengt de vuistdikke wijnkaart vol prijzige schatten en hier en daar ook iets onder de € 60.”

Ouweneel is het nomen agentis van ouwenelen. Het werkwoord kende ik al wel; het is opgenomen in het Groene Boekje van 2005 en bereikte in 2014 ook de elektronische Dikke Van Dale, met als betekenis ‘{informeel} ouwehoeren’. Voor mij heeft ouwenelen echter een andere gevoelswaarde dan ouwehoeren, want het eerste klinkt gemoedelijk – collocatie: lekker ouwenelen – het tweede plat, een beetje grof, net als leuteren.
Een vergelijkbaar woord is klessebessen ‘kletsen, babbelen, leuteren’ (Van Dale), maar dat zou ik evenals beppen ‘kletsen, ouwehoeren’ (Van Dale) zelf alleen gebruiken voor een vrouw, terwijl ouwenelen evengoed op een man kan slaan, zoals in het citaat hierboven.

Ouwenelen lijkt me een dialectwoord dat is opgenomen in de standaardtaal, in Nederland althans (Van Dale had ouwenelen goed kunnen labelen als ‘NL’). Het komt al voor in het West-Fries woordenboek van Jan Pannekeet uit 1984, gedefinieerd als ‘(gezellig) babbelen, kletsen’. Een soortgelijk geval is reuring. Ook dat is van oorsprong een Noord-Hollands dialectwoord, eveneens met een positieve connotatie: ‘{informeel} gezellige drukte’ (Van Dale, bet. 1).

Ouweneel staat niet in het West-Fries woordenboek. Je krijgt de indruk dat het pas recent is afgeleid van ouwenelen, toen dat al standaardtalig geworden was.



» De betekenis van reuring.
» index


Geplaatst op 24 september 2019.

© de 5e Verdieping 2019