Salomon Rodrigues de Miranda (1875-1942)


Lezend in Omzien in verwondering en Zo was het stuitte ik op de gruwelijke dood van de Joodse oud-wethouder De Miranda. “Ik heb er ook bijgestaan toen ze De Miranda neerknuppelden”, laat Annie Romein-Verschoor haar man Jan Romein zeggen. Piet Bakker schrijft dat ze hem “als een hond hebben doodgeknuppeld”.

Salomon (‘Monne’) Rodrigues de Miranda was van 1919 tot 1939, met korte onderbrekingen, wethouder van Amsterdam voor de SDAP. Hij was een van de exponenten van het wethouderssocialisme. In 1939 werd De Miranda door De Telegraaf beschuldigd van onregelmatigheden bij de uitgifte van bouwgrond. De gemeenteraad stelde een commissie in om de beschuldigingen te onderzoeken. Het onderzoeksrapport pleitte hem vrij van fraude en corruptie, maar wel werden er beleidsfouten geconstateerd. De affaire had hem dusdanig geraakt dat hij depressief geworden was en zich had laten opnemen in een psychiatrische inrichting. Na zijn ontslag uit de inrichting keerde hij niet meer terug in de raad.

Op 18 juli 1942 werd De Miranda, 67 jaar oud, door de Sicherheitsdienst gearresteerd en op 23 oktober vanuit het huis van bewaring overgebracht naar het Polizeiliches Durchgangslager Amersfoort (Kamp Amersfoort) en daar tewerkgesteld in het zogeheten Judenkommando. Ze hebben hem afgebeuld en mishandeld en na anderhalve week op beestachtige wijze vermoord.

Salomon Rodrigues de Miranda is op 3 november gestorven. Jan Romein was toen al een halfjaar uit Kamp Amersfoort weg.¹ Annie Romein-Verschoor zal de getuigenis ooit van een andere oud-gevangene hebben gehoord en die getuigenis vele jaren na dato abusievelijk aan haar man hebben toegeschreven.




Wie begin november 1942 wel in Kamp Amersfoort was, was de verzetsman Floris B. Bakels. Onder het kopje ‘De wethouder’ geeft hij een ooggetuigenverslag:

Tijdens een avondappèl, model opgesteld volgens Vordermann und Seitenrichtung, viel het mij op dat de man vóór mij niet absoluut stilstond maar iets heen en weer zwaaide, een centimeter naar rechts, een centimeter naar links. Ik siste hem in zijn nek: ‘Sta stil, man, val niet op’ – maar hij reageerde niet. Toen kwam het commando: ‘Mützen – ab!’ Mijn voorman nam, zoals wij, zijn muts af, doch langzaam. Toen zag ik in zijn achterhoofd een tamelijk brede, zeker 8 cm lange kloof vol geronnen bloed, en er droop ook nog wat omlaag in zijn nek. Ik had, tijdens het langsijlen van de SS, alle tijd de kloof te bestuderen. De randen vertoonden iets wittigs. Het was duidelijk dat hij niet met de steel maar met het scherp van een spade was geslagen.
De man volgde alle verdere bevelen enigszins vertraagd op, maar toen wij konden inrukken, bleef hij nog even staan wiegelen en viel toen neer.
Toen ik al dicht bij mijn barak was en omkeek, zag ik twee mede-gevangenen met hem bezig, trappend en met knuppels.
Toen ik na de brooduitdeling nog even wilde rondlopen, lag hij zachtjes rochelend buiten tegen een barak aan. Er stond een boom van een kerel naast hem, de handen in de zij. ‘Zo mag ik jou graag zien liggen,’ zei hij. Er naderden juist twee man met een kruiwagen. Ze smeten hem erin en voerden hem af.
Het was de Amsterdamse wethouder De Miranda.




1 Romein en de andere gijzelaars van de groep waartoe hij behoorde werden op 20 april 1942, op Hitlers verjaardag, na bijna drie maanden gevangenschap vrijgelaten.


Referenties
Piet Bakker, Zo was het, 1961, p. 111.
Annie Romein-Verschoor, Omzien in verwondering 2, 1971, p. 38.
Floris B. Bakels, Nacht und Nebel; mijn verhaal uit Duitse gevangenissen en concentratiekampen, 1977, 14e druk 1994, p. 73-74.



» Hongeroedeem in Kamp Amersfoort.
» Was Wibaut arrogant?
» index


Geplaatst op 6 november 2015, gewijzigd op 3 mei 2026.

© de 5e Verdieping 2015-2026