Het opschalen/afschalen van de zorg


In het oog lopende sporen van de coronapandemie in de Nederlandse taal zijn allereerst de vele nieuwvormingen, in aantal zo groot dat er een kloek woordenboekje mee te vullen is. Daarnaast zijn er wat minder in het oog springende ontwikkelingen. Een ervan is de populariteit van het antoniemenpaar opschalen en afschalen. Inmiddels alledaagse werkwoorden, maar opschalen ontbreekt in het WNT en afschalen zelfs nog in het Prisma Groot woordenboek Nederlands uit 2018.¹

Oorspronkelijk is opschalen een term uit de procestechniek.

Daar hebben we een HTS-er nodig in chemische techniek. Hij houdt zich bezig met het opschalen van processen van pilot-plant naar fabrieksschaal […].
(26-09-1970, Het Parool [vacature])

- het ontwerpen en opschalen van nieuwe en/of verbeterde produktieprocessen.
(17-02-1973, De Telegraaf [vacature])

Een proeffabriek in het Franse Marcoule is al een tiental jaren in bedrijf geweest en verlaat nu binnenkort het experimentele stadium. Het „opschalen” van het procédé kan nauwelijks meer tot verrassingen leiden in dat geval.
(07-09-1977, Het Parool)

Opschalen is dan een bepaald procedé na een geslaagde testfase op grote schaal in het productieproces toepassen.
Nederlands opschalen kan zijn ontleend aan Engels (to) scale up ‘(of a factory, company, or system) increase production or capacity’ (Oxford Dictionary). Hierop wijst het synoniem upscalen.

Zijn werkzaamheden zullen hoofdzakelijk bestaan uit het ontwikkelen van nieuwe produkten en het toepasbaar maken van de uikomsten van de pilot plant voor grotere produktie-eenheden (upscalen).
(20-03-1971, Algemeen Dagblad [vacature])

Later werd opschalen ook een managementterm uit de hulpverlening, in de thans zo actuele betekenis.
De onderstaande attestatie is echter al een kwart eeuw oud:

Deze twee ziekenhuizen houden permanent chirurgen, anesthesisten en verplegend personeel beschikbaar voor zogenaamde crash- en traumateams om bij ongevallen ter plaatse bij te springen. Uitgangspunt van de organisatie-opzet is het opschalen van de gewone dagelijkse werkwijze van de hulpverleners.
(13-04-1994, Nieuwsblad v.h. Noorden)

Opschalen is dan het vergroten van de capaciteit en inzet als reactie op een toegenomen hulpvraag.


Als de situatie het toelaat kun je besluiten tot het tegendeel. Om, zoals Engelstaligen zeggen, (to) scale down, scale back, downscale
In het Nederlands is het antoniem van opschalen gevormd door het voorvoegsel op- te vervangen door af-, wellicht naar analogie van opbouwen en afbouwen.


1 Afschalen ‘(v.e. boomstam) van de schaal (de bast e.d.) ontdoen’ bestond al wel, als term in de houtindustrie.
2 Engels (to) scale back, scale down ‘reduce something in size, number, or extent, especially by a constant proportion across the board’, (to) downscale{North American} reduce in size, scale, or extent’ (Oxford Dictionary).




Referenties
Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT), lemma afschalen (gepubliceerd in 1870).



» index


Geplaatst op 10 oktober 2020, gewijzigd op 15 oktober 2020.

© de 5e Verdieping 2020