Onder vijandelijk vuur in een boomtop


Precies 75 jaar geleden was Nederland in oorlog. Op 10 mei 1940 waren Duitse troepen in alle vroegte ons land binnengevallen. Al na een dag bereikten ze Wageningen en namen van daaruit de Nederlandse stellingen op de Grebbeberg met zwaar geschut onder vuur. Ook waren er aanvallen door Stuka’s, duikbommenwerpers.

Op 2 mei 2015 stond in de NRC een interview met de 97-jarige Ben Brus, die tijdens de Slag om de Grebbeberg als verbindingsman op een commandopost zat. Hij vertelt:

“De communicatie was afhankelijk van kabels die door de bomen liepen. Erg kwetsbaar voor beschietingen. De luitenant heeft hemel en aarde bewogen om diepe grondkabels aan te laten leggen. Maar dat was te duur.” Uiteindelijk besloot men om de bestaande kabels in open sleuven te leggen. “Maar bij de eerste beschietingen gingen die kabels natuurlijk meteen aan gort.”

In 1946 verscheen de roman Cis de man, het laatste deel van de trilogie Ciske de rat, geschreven door de schrijver-journalist Piet Bakker. Het boek vangt aan met het begin van de algemene mobilisatie op 28 augustus 1939. De verteller is wachtmeester Bruis. Hij heeft op de Grebbeberg het bevel over een stuk 7 cm-geschut, met zes ‘gemene soldaten’ onder zich. Twee derde van het boek beslaat de mobilisatietijd, een derde de strijd. Het boek lijkt een realistisch beeld te geven en het kan haast niet anders of de schrijver heeft uitvoerig gesproken met een artillerist die op de Grebbeberg gevochten heeft.

Schieten met een kanon is routinewerk. Het stelt slechts als eis: kalmte en preciesheid. Achter je zit de afdelingscommandant, die de posities telefonisch krijgt van den regimentscommandant. En die bepaalt, in overleg met zijn collega van de infanterie, waar het vuur gelegd moet worden. Ergens in het voorterrein, in een boom, op een hoog huis, bevindt zich de waarnemer, de cornet Scheppers, die de jongens „Zus” noemden, met een wachtmeester en twee seiners. Zij vormen de ogen van de batterij, geven door of het vuur te ver naar voren, naar achteren, links of rechts ligt. Wij aan het stuk doen niet anders dan sommetjes maken, met een periscoop en een spiegeltje op het achter ons liggende baken richten – dat is de taak van Cis, mijn nummer één, – projectielen aandragen, temperen, granaat in de loop leggen, „vuur” zeggen en aftrekken. Dit zo snel en zo accuraat mogelijk. Onze eventuele heldenmoed bestaat er alleen in om dit onder alle omstandigheden vol te houden, ook als de scherven ons om de oren vliegen, de treffers het zand van onze stelling in brede fonteinen doen opstulpen, vliegtuigen venijnig naar ons duiken en plotseling krijten vlak bij ons de zekerheid brengt dat er gewonden en doden vallen. Kanonniers vechten niet in roes en hoera-stemming. Hun handen voeren werktuigelijk de aangeleerde en uit den treure herhaalde bewegingen uit. Zij doen het werk al, eer het hart kan versagen. Onverschrokkenheid is bij ons een ingestudeerde gewoonte, een reflex.

Onder vijandelijk vuur in een boomtop, je moet er niet aan denken. Maar het was de realiteit: de heer Brus vertelt in het interview dat hij contact had met een artilleriewaarnemer die in een boom zat.
Terug naar Cis de man:

Ineens hoorden we boven ons hoofd roepen: „Hee daar, wacht even!”
  Daar zat „Zus,” onze waarnemer met twee seiners in een hoge boom. Zij hadden zich listig verscholen. Zonder hun roepen zouden wij hen nooit hebben opgemerkt.

Opvallende coïncidenties zijn de namen Brus en Bruis en beider beroep: leraar.



» Mei 1940, geen wagneriaans weer.
» index


Geplaatst op 13 mei 2015, gewijzigd op 14 maart 2019.

© de 5e Verdieping 2015-2019