Klootjesvolk


Over de groote autoweg. De vreemde wereld van de ondergaande landelijkheid en overal van die menschen die niet in het land hooren. Zoomin als die wreede betonnen wegen. De vernielde Alkmaarder hout met al die huisjes. Eerst al die huisjes langs de weg bij Heilo, voor het voortwoekerende klootjesvolk.
(Nescio, Natuurdagboek, 01-08-1953)

Han Lammers […] schreef ‘dat hij het Nederlandse volk aan de schandpaal zou nagelen’. Hij muntte het woord ‘klootjesvolk’, dat het sleutelwoord van provo zou worden.
(Martin Sommer, de Volkskrant, 03-05-2019)

Op 1 augustus 1953 reed Nescio “over de groote autoweg” van Amsterdam naar Groet. Hij werd er niet vrolijk van, en ook niet politiek correct: het voortwoekerende klootjesvolk.
Altijd gedacht dat het woord klootjesvolk uit de koker van provo kwam, maar Nescio gebruikte het dus al in 1953. Verrassing 2 was toen ik op Etymologiebank.nl zag dat het woord al voorkomt bij Bredero!

Dit klóótjes volck vande vesten, of uyt de slopjes,¹
Die legghen en loopen, in goyen elck ien mit dopjes.
(Griane, 1616)²

Bredero bedoelde met het klootjesvolk het gepeupel, het grauw uit de achterbuurten. De betekenis van klootjes- is hier onduidelijk. In het EWN worden vier mogelijke verklaringen aangedragen: 1. onbeduidende personen, 2. teelballen (als aanduiding voor iets minderwaardigs), 3. teelballen (omdat het grauw geobsedeerd zou zijn door seks) en 4. zij die op een kluitje wonen (in een dichtbevolkte achterbuurt).

Van Dale labelt de oorspronkelijke betekenis ‘achterbuurtvolk’ als ‘verouderd, niet algemeen’ en geeft als courante betekenissen ‘gering volk’ (de betekenis bij Nescio) en ‘mensen die alleen belangstelling hebben voor het materiële en niet voor het sociaal-culturele [sosjaal-kulturele]’ (de betekenis bij provo).




Naschrift
Nescio bleek het woord klootjesvolk al 45 jaar eerder te hebben gebruikt, in een brief aan zijn vrouw d.d. 7 juli 1908:

Over drieën was ik in Vlissingen, nix an. Een dom casino, dan die domme scheepsbouw met die malle balansen, nix an. Klootjesvolk bij den weg. Ik den trein naar Middelburg gepakt. Daar in de Abdij een bieffi gegeten om half zes, criant vervelend. De domme menschen hielden hun domme smoelen, den heelen dag heb ik niet met smaak gegeten.³




1 Vesten ‘vestingmuren, wallen’, slopjes ‘steegjes’.
2 In 1619 gebruikte Samuel Coster (alweer een Amsterdammer!) het woord in de voorrede van het treurspel Isabella: […] ick zal door het ghesnater van een hoop klootjes volck der ouden goede voorgang na te treden nummer laten […]
3 Brieven uit Veere, p. 9.


Referenties
Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT), lemma’s klootjesvolk en vestII (gepubliceerd in 1936 resp. 1957).
Etymologisch woordenboek van het Nederlands (EWN) 3: Ke-R, 2007, lemma klootjesvolk.
J.H.F. Grönloh (ps. Nescio), Brieven uit Veere, 2010. Bezorgd door Lieneke Frerichs.
  –   Natuurdagboek 1946-1955, 1996. Bezorgd door Lieneke Frerichs.



» Laveloos bij Nescio.
» index


Geplaatst op 1 augustus 2014, het laatst gewijzigd op 7 mei 2019.

© de 5e Verdieping 2014-2019